SCHEPPING & EVOLUTIE
Armin Held
2008
I. Het Experiment
II. De tekst van Genesis 1:1-2:4 ........................................................................... 1
1. Schepping uit God of "eeuwige Materie" ? ........................................................ 3
2. Werd de aarde door God "tohu-wabohu" geschapen ? .................................... 4
3. De oorzaak van het "tohu-wabohu" ................................................................... 5
4. Is Genesis 1 een "scheppingsbericht"? ............................................................ 6
5. Hoe lang duren de "dagen" van Genesis 1 ? .................................................... 7
6. Een tegenwerping: Het sabbat-gebod / belangrijke tussenuitkomst. .............. 8
7. "Er zij licht!" ....................................................................................................... 9
8. Andere bezwaren tegen lange tijdruimtes in Genesis 1 .................................... 10
9. Een natuurwetenschappelijk bewijs voor de hoge ouderdom der aarde .......... 11
10. Is voor de Bijbel de hemel een "firmament"? .................................................... 12
11. De oorsprong en de verspreiding der landplanten ............................................ 13
12. Hechtte God zon, maan en sterren aan het firmament? ................................... 14
13. De levende zielen van de zee en van het vaste land ........................................ 15
14. De toebereiding en schepping van de mensheid .............................................. 16
15. De drie scheppingsdaden in Genesis 1 ............................................................ 17
16. Wat betekent het Bijbelse begrip "aard"? ......................................................... 18
17. Nog drie beschouwingen .................................................................................. 19
III. 1. Is Genesis 2:5 e.v. een "tweede Scheppingsverhaal"? ..................................... 20
2. Was Adam de eerste mens? / Een tegenwerping ............................................ 23
3. Werd Adam uit leem gekneed ? ....................................................................... 24
4. Het tot leven brengen van Adam ...................................................................... 26
5. Vergelijking van Bijbel en natuurwetenschappen ............................................. 27
IV. De Bijbel: Godswoord of mensenwoord ? ........................................................ 29
HET EXPERIMENT
Er worden veel redenen naar voren gebracht, waarom God niet kan en niet mag bestaan: de kruistochten, de Inquisitie, het onrecht in de wereld en zo voort. Er wordt veel over God nagedacht en tengevolge daarvan bestaat er een nauwelijks te overzien aantal verschillende meningen over Hem. Er is siechts een uitweg: luisteren naar wat God Zelf in Zijn woord over Zichzelf en Zijn schepping zegt. Voor veel mensen is hierbij echter een struikelblok dat ze ernstig aan de geloofwaardigheid van de Bijbel twijfelen. Is niet reeds het begin ervan een sprookje, dat een denkend mens onmogelijk kan geloven?
Zou God de zon werkelijk pas drie dagen na het licht geschapen en daarna de sterren aan het "firmament" gehecht hebben? Zulke en overeenkomstige bezwaren weerhouden menigeen zich nader met dit boek bezig te houden. Het hier volgende onderzoek heeft derhalve tot doel het vertrouwen in de heilige Schrift als Gods Woord te bevorderen. Dit dient te gebeuren door, zo mogelijk zonder vooroordelen, de eerste hoofdstukken van de Bijbel te beschouwen. De bedoeling is dat - voor iedereen controleerbaar - uiteengezet wordt dat de verslaggeving in de Bijbel niet uit door mensen verzonnen sprookjes en sagen bestaat. In zoverre gaat het hierbij voor de lezer, vooral voor de niet "bijbelvaste" lezer, in zekere zin om een experiment: hij neemt de Bijbel, bij wijze van proef, nu eens serieus - zo als deze geschreven is - en bekijkt wat voor gevolgen dat heeft. Daarvoor is een zekere openheid nodig, zodat men de uitspraken niet a priori als louter mensenwerk af doet. Iedereen kan tenslotte het resultaat van het experiment met zijn eigen kennis vergelijken en conclusies trekken m.b.t. zijn instelling ten opzichte van de Bijbel en tot God.
WERKWIJZE
Om een vergaande objectiviteit zo veel mogelijk te waarborgen dienen bij het onderzoek van de verschillende teksten niet allerlei theologische of philosofische doctrines en theorieen betrokken te worden. Integendeel, alleen de Bijbel zelf moet de basis voor de uitleg of interpretatie vormen. Daarbij bieden drie benajeringen de helpende hand:
1. Etymologie
Bij de taalwetenschap is dit een onderdeel dat de oorsprong en de grondbetekenis van woorden onderzoekt. Om achter de betekenis van een uitdrukking te komen zoekt men dus naar de wortel waaruit die is voortgekomen of naar het werkwoord waaruit het zelfstandig naamwoord is ontwikkeld. Ook vergelijkingen met verwante talen kunnen uitsluitsel geven. Wij hebben gebruik gemaakt van Standaard-woordenroeken.
2. Konkordantie
Om de betekenis van een woord precies na te gaan raadplegen we de Konkordantie (Lat.: concordantia = overeenkomst) waar we alle passages vinden waarin dat woord in de Bijbel voorkomt. Wanneer die teksten goed worden bekeken, wordt daarmee een helder licht op het woord in kwestie geworpen en paal en perk gesteld aan willekeurig-menselijke interpretaties.
3. Contekst
Een bijbeltekst uit zijn verband gehaald kan gemakkelijk tot verkeerde conclusies leiden. Dit is de reden dat wij bijzondere aandacht zullen schenken aan het tekst-verband.
Eerst citeren we de tekst van Genesis 1:1-2:4. De opschriften voegen wij ertussen vanwege de structuur.
Opgemerkt moet worden dat de voor u liggende uitwerking slechts een ruwe samenvatting is van delen van het boek: "SCHoPFUNG & EVOLUTION - Der Originaltext der Bibel und die Erkenntnisse der Naturwissenschaft" von Armin Held - in German and in English:
www.urzeitundendzeit.de.
1 In het begin schiep God de hemelen en de aarde.
De verwoesting van de aarde
2 En de aarde werd woest en ledig, en duisternis was boven het aangezicht van de vloed, en Gods Geest zweefde boven het aangezicht der wateren.
Het opnieuw lichtworden of de aarde
3 En God sprak: Het worde licht! En het werd licht.
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God scheidde het licht van de duisternis.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. En het werd avond, en het werd morgen: een dag.
Het ontstaan van een atmosfeer
6 En God sprak: Er zij een uitspreiding midden in de wateren, en er zij een scheiding tussen de wateren en de wateren!
7 En God maakte de uitspreiding en scheidde de wateren, die onder de uitspreiding waren van de wateren, die boven de uitspreiding waren. En het geschiedde alzo.
8 En God noemde de uitspreiding hemel. En het werd avond, en het werd morgen: een tweede dag.
Het opduiken van de Kontinenten en hun begroeiing met planten
9 En God sprak: Dat de wateren onder de hemel op een plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemd Hij zeeen. En God zag, dat het goed was.
11 En God sprak: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruch bomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten, op de aard en het was alzo.
12 En de aarde bracht jong groen voort, gewas, dat naar zijn aard zaad geef en geboomte, dat naar zijn aard vruchten draagt, welke zaad bevatten. En God zag, dat het goed was.
13 En het werd avond, en het werd morgen: een derde dag.
Het helderworden van de atmosfeer
14 En God sprak: Dat er lichten zijn aan het uitspansel der hemelen om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren;
15 en dat zij tot lichten zijn aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde; en het was alzo.
16 En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschapij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren.
17 En God stelde ze aan het uitspansel der hemelen om licht te geven op de aarde,
18 en om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis te scheiden. En God zag, dat het goed was.
19 En het werd avond, en het werd morgen: een vierde dag.
De schepping van "levende zielen"
20 En God sprak: Dat de wateren wemelen van levende wezens, en dat het gevogelte over de aarde vliege längs het uitspansel der hemelen.
21 Toen schiep God de grote zeedieren en alle knoelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen, naar hun aard, en allerlei gevleugekj gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
22 En God zegende ze en sprak: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de wateren in de zeeen, en het gevogelte worde talrijk op de aarde.
23 En het werd avond, en het werd morgen: een vijfde dag.
Het bevolken van het vaste land door levende zielen
24 En God sprak: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo.
25 En God maakte het wild gedierte naar zijn aard en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardboodem kruipt naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
De toebereiding en schepping van de mensheid
26 En God sprak: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte der hemelen en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem;
man en vrouw schiep Hij hen.
28 En God zegende hen en God sprak tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk;
vervult de aarde en oderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte der hemelen en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.
29 En God sprak: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen.
30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte der hemelen en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo.
31 En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. En het werd avond, en het werd morgen: de zesde dag.
De voltooiing van het werk tijdens de zevende Periode
2:1 Alzo werden voltooid de hemelen en de aarde en al hun heer.
2 Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had.
3 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.
De samenvatting van Genesis 1:1-2:3
4
Dit zijnde opeenvolgingen van de geslachten
(Hebr. toledot, dit betekent nakomelingen, geslachtenopeenvolging)
van de hemelen en de aarde, toen zij geschapen werden,
op de dag, toen God, de Heer, aarde en hemelen maakte.

Zo ziet het eerste vers van de Bijbel in de Hebreeuwse grondtekst eruit. M< leest van rechts naar links, wat dan ongeveer zo klinkt:
bereschit bara elohim et-haschschamajim we-et ha-arets, dat betekent:
In het begin schiep God de hemelen en de aarde
Daar de wetenschap - in elk geval tot nu toe - geen uitspraken kan doen ovi de oorsprong van het Universum zijn er in principe wel twee soorten van "geloven of men neemt aan dat het heelal reeds altijd bestaat en ook steeds bestaan zs 6f men gelooft aan een niet-materialistische, dus van de "andere" zijde geThsti eerde oorsprong van het Universum. Men kan echter in zoverre zeggen: de ove grote meerderheid van de toonaangevende wetenschapsmensen is ervan overtui« dat het heelal een begin gehad heeft, al kunnen de meningen over het verloi van de ontwikkeling uiteenlopen. Zo neemt men hedentendage aan, dat het unive sum een ouderdom van ongeveer twintig miljard, tenminste echter van tien miljai jaar heeft.
Onafhankelijk daarvan verklaart de Bijbel, dat het heelal een begin had, wa, in het geschapen werd. Het woord Gods onderscheidt deze schepping, het gewo dene, duidelijk van de Schepper, God:
In den beginne was het woord, en het woord was bij God, en het woord wasGod. ... Alles werd door hetzelve, en zonder hetzelve werd ook niet iets dat geworden is Johannes 1:1,3 (verglijk Jesaja 66:2a)
God is de Zijnde, die in tegenstelling tot de schepping, niet verändert:
Toen sprak God tot Mozes: "Ik ben, die Ik ben". Toen sprak Hij: zo zult c zeggen tot de zonen van Israel: "Ik ben" heeft mij tot u gezonden.
En God sprak voorts tot Mozes: Zo zult gij zeggen tot de zonen van Israe Jahwe (dat is de eigennaam van God in het Oude Testament, ook met HEE weergegeven; ook wel: "De Zijnde"), de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden. Exodus 3:14,15
Neen, Ik, de HEER (hebr. Jahwe) ben niet veranderd! Maleachi 3:6 (Eveneens Hebreeen 13:6)
Tenslotte zij er nog op gewezen, dat het Universum geenszins "ex nihilo", dat is "uit het niets" geschapen werd, maar veeleer uit God, zoals de volgende Bijbe plaats duidelijk maakt:
Want uit (Grieks "ek") God en door Hem en tot in (Grieks "ejs") Hem zi alle dingen. Romeinen 11:36 (eveneens 1-Corinthe 8:6)
Deze Bijbelplaats vat het gehele ontstaan en de ontwikkeling van het AI samen. Alle dingen werden UIT GOD geschapen en wel DOOR het Woord, Zijn Zoon. Het doel van de schepping is, in het verloop van een door God gewerkte ontwikkeling TOT IN HEM, dus in volkomen gemeenschap met Hem te komen, "zodat God alles in alles zij" (1.Corinthe15:28). Dit moet op de weg van de vrijheid bereikt worden, "want God is liefde" (I.Johannes 4:8).
WERD DE AARDE DOOR GOD "TOHU-WABOHU" GESCHAPEN?
Genesis 1:2
De aarde echter was een verwoesting (tohu) en een verlatenheid (bohu) geworden (hajah); en duisternis was op de viakte van de wervelvioed; de Geest Gods was echter beschüttend werkzaam boven de viakte van de wateren.
Vaak legt men deze tekst zo uit als zou de "onbewerkte toestand" van de zojuist geschapen, nog onvolkomen aarde, voordat God deze verder toebereidde, beschreven worden. Laten we echter aan de hand van de Bijbel zelf onderzoeken of de hier gebruikte woorden zo'n uitleg toelaten; het woord "tohu" komt twintig maal in de Bijbel voor:
Genesis 1:2; Deuteronomium 32:10; I.Samuel 12:21 (2x); Job 6:18; 12:24; 26:7;
Psalm 107:40; Jesaja 24:10; 29:21; 34:11; 40:17,23; 41:29; 44:9; 45:10,19; 49:4; 59:4;
Jeremia 4:23.
Het wordt weergegeven met: woestijn, dorre viakte, vergeefs, ijdelheid, leegte, nietigheid. Steeds Staat het in nauw verband met afgoden, ongerechtigheid, rond-dolen als straf van God, duisternis en schaduw, woestijn en wildernis. Nergens wordt het door God gewenst, maar veeleer als gevolg van het afwijken van Hem geschetst, heel duidelijk bijvoorbeeld in I.Samuel 12:21. Tenslotte wordt elke twijfel opzij gezet door:
... niet "tohu" heeft God de aarde geschapen (Hebr. bara'). Jesaja 45:18
Soms wordt ook vertaald: "Niet om "tohu" te zijn heeft Hij haar geschapen ..." Dit is echter gewoon een uitleg die de grondtekst weerspreekt, omdat daarin noch het "om te" (Hebr.: le), noch het "zijn" (Hebr.: hajah) voor "tohu" Staat! De uitleg, dat God de aarde toch "tohu" geschapen zou hebben - hoewel niet om "tohu" te blijven - rieht zich derhalve tegen Gods woord. Als men de Bijbel evenwel ernstig neemt kan er geen twijfel bestaan: de aarde werd niet "tohu" geschapen, maar naderhand verwoest. Dit resultaat wordt door de twee volgende teksten bevestigd waarin het woord "bohu" behalve in Genesis 1:2 verder nog voorkomt (samen mit "tohu"):
De HEER Spant over het land Edom het meetsnoer der woestheid (tohu) en het paslood der ledigheid (bohu). Jesaja 34:11
Ik zag de aarde en zie, zij was woest en ledig (tohu wabohu);
ik zag naar de hemel en zijn licht was er niet. Jeremia 4:23
Zowel Jesaja als ook Jeremia berichten op deze plaatsen van verschrikkelijke katastrofen, die "tohu" en "bohu" over een land brengen en wel "als gericht" (Jesaja 34:5) omdat de bewoners "wijs zijn om kwaad te doen, maar van goed doen weten zij niet" (Jeremia 4:22). De gevolgen zijn - net als in Genesis 1:2! - verwoesting en duisternis (Jeremia 4:20,23,26,28; Jesaja 34:10). Daarmee is elke twijfel uitgesloten: de uitdrukking "tohu wabohu" betekent vernietiging en verwoesting, maar nooit een goede ("onbewerkte") toestand!
Het konkordante onderzoek van alle teksten waarin het woord "tohu" voorkomt, toont dat dit nooit een toestand beschrijft die overeenkomt met Gods wens en wil. De beide plaatsen waar de woorden "tohu" en "bohu" samen vookomen, zijn voorts een duidelijk bewijs dat de beschrij-ving van de toestand van Genesis 1:2 de aarde beschrijft NA EEN KATA-STROFE. De oorzaak daarvoor kan siechts een afwijken van God geweest zijn, hetwelk een gericht tot gevolg had. DAT DE AARDE "TOHU WABOHU" GESCHAPEN ZOU KUNNEN ZIJN, IS DERHALVE UITGESLOTEN!
DE OORZAAK VAN HET TOHU-WABOHU
Hoewel de tekst van Genesis 1:2 de oorzaak van het Tohu-wabohu van de aar niet aangeeft, moge hier in't kort gepoogd worden, deze belangrijke vraag beantwoorden. De bijbel bericht ons dat er een zichtbare - d.i. met de zintuig waarneembare - en een onzichtbare - dus voor onze zintuigen verborgen - werh lijkheid bestaat:
Want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappij hetzij overheden, hetzij machten ... Colossenzen 1:16
Tot de onzichtbare werkelijkheid behoren wezens waarvan er in deze tekst enig genoemd zijn. Zoals nun typeringen reeds doen verstaan, hebben zij van God c drachten tot het uitoefenen van heerschappij ontvangen. De bijbel bericht nu c reeds vroeg een zeer hoogstaand wezen, een Cherub, van God afviel en zich tegen Hem opstelde. In het Nieuwe Testament wordt te kennen gegeven, dat t de duivel (grieks: diäbolos = dooreenwerper) was, die "in den beginne zondigc (l. Johannes 3:8). In het Oude Testament wordt hij "Satan" genoemd, dat betekei tegenstander. Zijn val wordt in Jesaja 14 en in Ezechiel 28 beschreven: hij w een gezalfde Cherub geweest, in de tegenwoordigheid van God. Maar hij we trots op zijn schoonheid en volkomenheid, op zijn glans. Hij wilde "de Allerhoogi gelijk zijn" (Jesaja 14:14) en zo zondigde hij (Ezechiel 28:16) door in volle verai woording met God te breken. Dus door hem ontstond de zonde in de tot toen toe onberispelijke schepping, en met de zonde ook de dood, want "het loon v de zonde is de dood" (Romeinen 6:23). Een gevolg voor Satan zelf was de verdrijving uit de tegenwoordigheid van G (Ezechiol 28:16) maar zijn uiteindelijk gericht wacht hem nog (Openbaring 12 en 20:10). Tot zo lang blijft hij de "God van deze wereldtijd" (2.Corinthiers 4 en de "vorst van de kosmos" (Efese 2:2; Johannes 14:30; vergelijk Lucas 4:6).
Van af Genesis 1:2 ontmoeten we steeds weer de tegenstand van Satan, die e het handelen van God weerstand wil bieden. Dit is een geestelijke strijd (vergel Efese 6:11 en volgende) maar hij heeft Sterke uitwerkingen ook voor de zichtb;
schepping. Zo moet de val van de duivel verwoestende gevolgen voor zijn mach gebied gehad hebben. In elk geval Staat wel vast:
Reeds vroeg was de aarde tegen Gods wil en wens vernietigd. Het onder-zoek van de woorden "tohu" en "bohu" heeft aangetoond dat deze vernieti-ging het gevolg van een afwijken van God geweest moet zijn. Vanuit de bijbel kan als verklaring hiervoor alleen het bewuste verzet van vrije wezens in aanmerking komen aan wie God reeds heel vroeg heersersop-drachten gegeven had. De Satan als nun aanvoerder is de aanstichter van dood en leed in de wereld (I.Johannes 3:8; vergelijk Johannes 8:44)!
Wat de uitwerkingen van deze katastrofe op de zichtbare werkelijkheid betre men weet dat ongeveer vier miljard jaar geleden het oppervlak van maan, Mc Mercurius en Venus door een groot aantal meteorieten en planeto'i'de inslagen v woest werd. Later borrelden uit de scheuren, die door deze inslagen veroorza, waren reusachtige massa's magma, die de oppervlakten van die hemellichan overspoelden. Op die manier vormden zich uitgestrekte magmameren, de zo' naamde mären. De mare-gebieden, die we op de maan met het blote oog kuni zien (!) zijn duidelijke getuigen van die katastrofe, die ook onze aarde op dezel wijze moet hebben verwoest. Met grote zekerheid was dit de tijd van het Toi wabohu, waarin volgens Genesis 1:2 de aarde verwoest werd.
GENESIS 1 IS EEN AFSTAMMINGSREGISTER!
Het klopt weliswaar, dat het eerste vers van dit hoofdstuk met een scheppingsdaad van God begint, maar waarom trachten wij niet uit de Bijbel zelf te weten te komen hoe deze Genesis 1 noemt? Dit is inderdaad mogelijk omdat in het Oude Testament vaak ondertitels te vinden zijn, zogenaamde "colofoons" die aan het slot van een pericoop staan en hetgeen voorafging samenvatten; hier siechts enkele voorbeelden: Genesis 36:19; 49:28; Jozua 19:51. Ze komen overeen met een op-schrift en kunnen dus beslissend belangrijk zijn voor het verstaan van de tekst. Wat nu het bericht van Genesis 1 betreft, dit reikt tot aan Genesis 2:3, waar gesproken wordt over het in Genesis 1:1 beginnende werk. In Genesis 2:4 vinden we dan een colofoon, dus een ondertitel, die het gehele bericht als volgt samenvat:
Dit is; de opeenvolging van de geslachten (Hebr. toledot) van de hemelen en de aarde, toen zij geschapen (bara') werden, op de tijdperk (jom), toen God de Heer, aarde en hemelen maakte Casah). Genesis 2:4
Het met "geslachten" weergegeven woord "toledot" is uit het werkwoord "holid = verwekken" gevormd en is een meervoudsvorm, vandaar dat het eindigt op "-ot". "Toledot" betekent dus letterlijk "verwekkingen"; het komt in het geheel 39 maal in de bijbel voor (*1) en geeft geslachtsregisters of afstammingsregisters aan, zoals bijvoorbeeld:
Dit zijn de nakomelingen (toledot) der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet; hun werden (namelijk) zonen geboren na de vioed.
De zonen van Jafet waren Gomer, Magog ... En de zonen van Jawan waren ... de Kittiers en de Dodanieten. Naar dezen zijn de kustlanden der volken in hun landen verdeeld, elk naar zijn taal, naar hun geslachten, onder hun volken. ...
Dit zijn de geslachten der zonen van Noach naar hun afstammingen (toledot), in hun volken ... Genesis 10:1-5,32
Dit is siechts een van de vele voorbeelden hoe "toledot" voor biologische afstam-mingsreeksen gebruikt wordt. Hier wordt beschreven hoe uit de nakomelingen van Noach door verwekkingsgevolgen hele volken ontstonden, die zich van de stamboom aftakten en zelfs overeenkomstig hun afsplitsing verschillende talen hadden.
Het gaat volgens de Bijbel bij de beschrijving van Genesis 1:1 tot 2:4 in de eerste plaats dus niet om een verslag van de schepping, maar om een geslachtsregister! De ondertitel, Genesis 2:4, duidt het geheuren namelijk aan als "toledot = opeenvolging van verwekkingen". Daarmee wordt uitgegaan van een ononderbroken opeenvolging van verwekkingen, dus een afstamming! Vergelijkbaar met de "toledot der zonen van Noach" worden daarbij hele takken opgenoemd, die van de stamboom zijn afge-splitst. De Bijbel legt er evenwel tegelijkertijd de nadruk op, dat de geslachtsregisters van de hemelen en de aarde op de schepping (bara') en toebereiding Casah) door God berusten.
HOE LANG DUREN DE "DAGEN" VAN GENESIS 1 ?
De ondertitel Genesis 2:4 doet nog een zeer belangrijke uitspraak: aanvullend op de wijze van het gebeuren (opeenvolging van geslachten) wordt ook nog een tijdsbestek aangegeven, waarin dit alles gebeurde, namelijk:
... in het tijdsbestek (Hebreeuws: jom) van het toebereiden (asah) van aarde en hemelen door de Heere God.
Alle "dagen" (jom) die daaraan vooraf gegaan waren worden hier als een "dag" samengevat! Omdat "jom" in de regel dat deel van de dag waarop het licht is aanduidt óf een dag van 24 uur, wordt vaak aangenomen dat ook het hele gebeuren van Genesis 1 in 7 dagen van elk 24 uur ingedeeld zou zijn. Deze gevolgtrekking is echter geenszins noodzakelijk, en zelfs, zoals wij zullen aantonen, niet eens voor de hand liggend. De algemene betekenis van het Hebreeuwse woord "jom is namelijk "tijdsbestek" en het is van groot belang op de samenhang van de tekst te letten, als men uitspraken over de lengte van de betreffende "jom" zou willen doen. Vooral als deze nader aangeduid wordt, kan het gaan om grote tijdruimten. Hier slechts twee voorbeelden:
Zo spreekt de Here HEERE: Ten dage (jom) dat Ik u van al uw zonden reinigen zal (letterlijk: in de periode van Mijn u reinigens) zal Ik de steden laten bewonen en de puinhopen zullen opgebouwd worden. (Het zal zeker vele jaren duren totdat het verwoeste land weer door veel mens bevolkt zal zijn.) Ezechiel 36:33
Ten dage (jom) dat de HEERE de breuk van Zijn volk verbinden zal en i wond van zijn slagen genezen zal ... (letterlijk: in de periode van het verbi den door Jahwe ...). Jesaja 30:26
Heeft een "jom" direct betrekking op God of Zijn handelen dan kunnen we ermi rekenen dat het om aanzienlijke periodes gaat, want in Gods ogen zijn duizei jaar als de dag van gisteren, als hij voorbij is (Psalm 90:4). taten we nog ee Genesis 2:4 bekijken, waar staat:
... in de dag van het toebereiden door de Here God van aarde en hemelen.
In het Hebreeuws vormen de onderstreepte woorden net als de hierboven geciteerde voorbeelden een grammaticale eenheid (een zogenaamde "constructus"). Daardo slaat het woord "jom" direct op een handelen van God, namelijk op de toebereiding van de aarde en van de hemelen. Is het derhalve niet te verwachten dat "jom" dus een zeer lange periode aanduidt? Ook de samenhang van de tekst eist dit: Er wordt bericht dat planten het gehele vaste land begroeien en vrucht dragen, dat dieren zich zo vermenigvuldigen dat het van hen wemelt in de zeeen. De mensheid breidt zich in het zesde tijdsbestek op grond van haar vruchtbaarheid zo uit, dat ze het gehele vaste land bevolkt, want er wordt vastgesteld: "En zo geschiedde het" - pas daarna eindigt de zesde periode (vers 31).
Eigenlijk bewijst het feit dat Genesis 1 een reeks van verwekkingsopeenvolgingen beschrijft al genoegzaam dat het hier zeker ging om grote tijdsruimten. Geen enkele van de andere in de Bijbel beschreven geslachtsregisters verliep binnen enige dagen. Daarbij gaat het bovendien om menselijke afstammingsreeksen niet om die van de hemelen en de aarde, bij dewelke het toch om veel grotere dimensies gaat.
Zowel uit de nadere bepaling van het woord "dag" in Genesis 2:4 als ook uit het verband van de tekst is de conclusie te trekken, dat de dagen van Genesis 1:1-2:3 zeer lange perioden van Gods handelen aangeven.
EEN TEGENWERPING: HET SABBATSGEBOD
Zes dagen (jom) zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag (jom) is Sabbat voor de HEERE uw God. Gij zult daarop geen werk doen, gij en uw zoon en uw dochter ...
Want in zes dagen (jom) heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat er in is, en Hij rustte op de zevende dag (jom); daarom zegende de HEERE de Sabbatdag (jom) en heiligde dien. Exodus 20:9-11
Deze alinea uit de tien Geboden wordt als bezwaar geopperd, God heeft de hemelen en de aarde toch in dagen van 24 uur toebereid (vers 11) want ook de dagen van vers 9 en 10 zijn dagen van 24 uur. Men beoordeelt Gods "dagen" dus naar de lengte van de menselijke dagen. Dit is echter niet te rechtvaardigen, daar de Wet (dat zijn de vijf boeken van Mozes) siechts een afschaduwing van de hemel-se dingen bevat, "niet het evenbeeld van de dingen zelf" (HebreeSn 8:5: 10:1). Zo zijn bijvoorbeeld de te slachten lammeren voorafschaduwingen van het ene Lam Gods Jesus Christus (Genesis 22:8; Jesaja 53:7; Johannes 1:29; I.Petrus 1:19). Men kan de vergelijkingen echter niet direct overbrengen en ook niet onbegrensd uitbreiden! De Wet geeft siechts Symbolen, inderdaad scnaduwen en beeiden van het handelen Gods om het aanschouwelijk te maken, te onderwijzen. Als nu het verloop van de menselijke week onder andere ertoe moet dienen een handelen van God te symboliseren, dan kan men de daarbij aangegeven ordes van grootte niet gewoonweg op God overdragen! Steeds nog geldt:
Want zo ver de hemel is boven de aarde, zo ver zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten hoger dan uw gedachten. Jesaja 55:9
BELANGRIJKE TUSSEN-UITKOMST
De kaderverzen Genesis 1:1-2 en 2:3-4 bevatten dus vier belangrijke Stellingen, die voor het begrijpen van het bericht vanaf Genesis 1:3 volstrekt nodig zijn. Als men daarop let, bevordert men van te voren een beter begrip, zonder dat de beschrijving der gebeurtenissen met grote waar-schijnlijkheid verkeerd wordt uitgelegd, omdat men dan onbewust van verkeerde vooronderstellingen uitgaat. Die vier fundamentele Stellingen zijn:
1. De gehele ontwikkeling begint met de schepping van het heelal door God en wordt ook vorder door God uitgewerkt. De grondtekst van Genesis 2:3 drukt dit op de volgende wijze uit: "God schiep (bara') om toe te bereiden ('asah)".
2. Wij hebben van af Genesis 1:2 met een verwoeste aarde te maken (Tohu-wabohu) waarop vanwege de val van Satan dood en verderf heersen. De duivel tracht het handelen Gods te weerstaan en elke orde dooreen te werpen. Wie dit niet duidelijk ziet zal nooit kunnen begri.ipen waarom in de loop van de door God gedragen ontwikkeling zo veel dieren moesten sterven.
3. Het gaat bij het vermelde gebeuren om opeenvolging van verwekkingen (Hebreeuws: toledot) zoals de ondertitel Genesis 2:4 duidelijk bewijst.
4. De gebeurtenissen strekken zich over een heel lange periode uit, namelijk over de "jom van het toebereiden van aarde en hemelen door de HEERE God."
"ER ZIJ LICHT!"
Later sprak God: Het worde (hajah) licht! En daarop werd (hajah) het licht.
Toen zag God het licht, dat het goed was. Daarop maakte God scheiding tussen het licht en de duisternis. Toen noemde God het licht dag, de duisternis noemde Hij echter nacht. Genesis l:3-5a
Er zijn een aantal redenen dat er buiten de aarde reeds vóór Gods bevel licht was:
1. In den beginne schiep God "de hemelen en de aarde". Deze uitdrukking duidt het heelal als geheel aan, zoals ook duidelijk blijkt uit: "Alzo werden voltooid de hemelen en de aarde en al hun heer" (Genesis 2:1). Dat het hierbij gaat om de ganse schepping, wordt in het volgende vers betuigd: "En God rustte van al Zijn werk" (vers 2). Dat betekent echter, dat de zon als deel van de "hemelen" reeds vanaf Genesis 1:1 als gesternte bestond!
2. In Genesis 1:2 Staat: "Duisternis was op de viakte van de wervelvioed". Over duisternis te spreken is echter alleen dan zinvol als er ook licht bestaat, want duisternis is het ontbreken, de afwezigheid van licht. Het hier gebruikte Hebreeuwse woord voor duisternis (choschaek) is nauw verwand met de wortel "ch-s-k", die "terughouden" betekent. De duisternis in Genesis 1:2 bestond dus door het terughouden van licht!
3. De duisternis was "op de viakte van de wervelvioed". Deze ruimtelijke beper-king laat ons de conclusie trekken dat er daarbuiten wel licht was.
4. De Hebreeuwse grondtekst gebruikt met betrekking tot het licht niet het woord "bara' = scheppen", dat anders altijd voor een handeling van God gebruikt wordt, waarbij iets volledig nieuws uit Hem in het aanzijn geroepen wordt. Daarentegen Staat er eenvoudig: "Er zij (hajah = zijn, worden, gebeuren) licht" - ook bij de vervulling: "Daarop werd (hajah) het licht."
5. Zou het licht zonder meer geschapen zijn, dan zou verder bij de tweede keer dat het woord hier voorkomt het lidwoord er volstrekt bij moeten staan: "Er zij licht! - Daarop was HET licht er", zoals het bijvoorbeeld bij de mensheid het geval is: "Laat ons mensen (Hebreeuws: 'adam, zonder lidwoord) maken! ... En toen schiep God DE mens (Hebreeuws: 'adam met lidwoord; de mensheid)." Omdat het lidwoord bij de tweede keer dat het woord licht voorkomt echter ontbreekt, kan het licht niet absoluut bedoeld zijn.
Naar onze mening beschrijft Genesis 1:3-5 het volgende gebeuren: Bij de Tohu-wabohu-katastrofe was de aarde verwoest en door een machtig wolkendek in volkomen duisternis gehuld (vergelijk de wolkenduisternis bij het Tohu-wabohu in Jeremia 4:23,28!). Later, toen God sprak: "Er zij licht!" begon het licht van de reeds in het begin met het heelal geschapen zon door te dringen. Het was welis-waar nog steeds gedempt, maar in iedergeval werd het licht - het Hebreeuwse woord '"or" betekent "licht", "lichtheid". Zo had er ook een scheiding tussen de naar-de-zon-toegekeerde en de van-de-zon-afgekeerde zijde van de aarde plaats, namelijk tussen licht en donker. Een tussenruimte scheidde die beiden waarbij er op de planeet tegelijkertijd "dag" en "nacht" is. Derhalve noemde God geen tijdsperiode dag, maar het licht; evenzo de donkere kant van de aardbol "nacht"!
Toen God sprak: "Er zij licht" begon het licht van de met de "hemelen en de aarde" geschapen zon, door de tegenhoudende duisternis door te dringen. Daardoor ontstond een lichte en een donkere kant op de planeet - "dag en nacht" - door een tussenruimte gescheiden.
N0G MEER BEZWAREN TEGEN LANGE TIJDSPERIODES IN GENESIS 1
Toen noemde God het licht dag, de duisternis echter noemde Hij nacht. Daarna werd een avond (äräb) en daarna werd een morgen (boqär) - een dag (jom). Genesis 1:5
Meestal wordt er toegegeven, dat het Hebreeuwse woord "jom" inderdaad ook lange periodes kan aanduiden. Maar hier zou uitdrukkelijk sprake zijn van een avond en een morgen; dus zou het hier gaan om dagen van 24 uur met zonsop- en zonsondergang. Welnu, taten we de consekwenties bezien die uit deze interpretatie volgen: de tekst laat een volgorde zien die in 't Hebreeuws nog sterker vastligt: eerst heerste er duisternis, toen werd het licht. Daarop noemde God het licht dag, de tegelijkertijd aanwezige duisternis noemde Hij nacht. Hoe en waar zou er nu een "avond" kunnen volgen? En waarom kwam na de avond direct een morgen en niet eerst een nacht? Nogmaals: volgens de grondtekst was de duisternis, dus de nacht, er al voor de "avond" (vers 5b) aanwezig (vers 4 en 5a) en aan de "morgen" (vers 5b) ging de dag vooraf, de lichtigheid (vers 4). Het etymologische onderzoek van de woorden, die hier met avond en morgen vertaald worden, kan ons echter helpen een antwoord te vinden:
"avond", Hebreeuws äräb == ingaan, wissel
De aan dit woord te gronde liggende wortel " -r-b" heeft verschillende betekenis-sen, hoofdzakelijk echter duidt hij aan:
een wissel, ruiling, bijv. bij de ruilhandel, bij borgschap
een ingaan, een ondergang, in 't bijzonder de zonsondergang
een vermenging, waaruit de aanduiding van het mengvolk afgeleid wordt, dat zich bij de Israelieten aansloot toen zij uit Egypte uittrokken
De grondbetekenis van " äräb" schijnt dus een wissel te zijn waardoor in de loop van een ondergaan, vergaan, waarbij vermenging plaats heeft, het vorige door iets nieuws afgelost, vervangen wordt. Daarvoor is de avond van een zonnige dag een goed voorbeeld: door het vergaan, ondergaan van de zon achter de horizon geschiedt een wisseling van dag in nacht, waarbij een vermenging van licht en duisternis plaats heeft - de schemering.
"morgen", Hebreeuws boqär == (nieuw-) aanbreken
De wortel "b-q-r" betekent "splijten", "uitbreken", waarvan de aanduiding van ploeg-vee afgeleid wordt. De morgen is dus een bijzondere vorm van het nieuwe aanbreken. In hun algemene betekenis duiden de woorden äräb en boqär daarom aan, dat een periode waarin God werkte ten einde liep, waarop een nieuw begin volgde. Zo duidt "dag" in de Bijbel ook minder op het gezichtspunt van de tijd dan wel meer op de inhoud, het gebeuren, dat een periode bescempelt; men zou "jom" ook kunnen weergeven met "werkingsperiode". De volgende bijbelplaats be-vestigt dit:
Wij moeten de werken Desgenen WERKEN doen Die Mij gezonden heeft, zolang het DAG is; de NACHT komt, waarin niemand WERKEN kan. Johannes 9:4Op een tijd van het werken van God (jom) die het lichtworden op de aarde inhield, volgde een ondergang ("avond", Hebreeuws äräb) de afslui-ting van dit gebeuren. Van een hierop volgende nacht kan geen sprake zijn alleen al niet omdat Gods werken ononderbroken voortduurde. Veeleer volgde er een nieuwaanbreken ("morgen", Hebreeuws boqär) dat de door-braak naar de volgende werkingsperiode aanduldde. (Het siechts zelden geopperde bezwaar dat het aangeven van het getal bij "jom" 24-uurs-dagen zou veronderstellen, is onjuist, omdat getallen nooit de eigenschappen of de grootte van een bepaalde zaak zelf beihvioeden.)
EEN WETENSCHAPPELIJK BEWIJS VOOR DE HOGE OUDERDOM DER AARDE
Vooronderstellingen:
Er bestaan stabiele nucliden (atoomkernsoorten) en andere die radioaktief uiteenvallen. Voor elk van de instabiele nucliden geldt, dat na een bepaalde, "halfwaardetijd" genoemde periode steed de helft van de beginhoeveelheid uiteengevallen is. De halfwaardetijden van de nucliden kunnen van zeer verschillende lengte zijn en zijn kenmerkend voor de betreffende nuclide. Ze zijn volgens alle theoretische beschouwingen en practisch ervaringen de essentie van het onbeinvloedbaar-gelijkblijvende. De halfwaardetij kan door invloeden van het milieu niet veranderd worden, ze is evenmin afhankelijk van druk of temperatuur als van de soort chemische verbinding, waarin de nuclide ingebed is. De volgende tabel laat zien hoeveel procent van de begin-hoe veelheid van een nuclide na het verstrijken van 1,2,3 ... halfwaardetijden nog voorhanden is:1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 ... halfwaardetijden
50 25 13 6,3 3,1 1,6 0,8 0,4 0,2 0,1 0,05 0,02 0,01 ... procent rest
Na 13 halfwaardetijden is dus nog maar ongeveer 0,01% = een tienduizendste van de beginhoeveelheid aanwezig. Dit is tevens de aanwijsbare grens voor he voorkomen van nucliden in de aardkorst nu.
Waarnemingen: Er bestaan 263 stabiele nucliden, en 23 zogenoemde langlevende nucliden (waarvan pas na meer dan 500 millioen jaar de helft uiteengevallen is) en 39 middellanglevende nucliden (met een halfwaardetijd tussen 10 000 en 500 millioen jaar). Nu is het een belangrijk en geenszins vanzelfsprekend feit dat alle 286 stabiele en langlevende nucliden zonde uitzondering in de aardkorst voorkomen en bewezen kunnen worden. De 39 middellanglevende nucliden evenwel ontbreken geheel (met uitzondering van 4 nuclide die als tussenproduct van de vervalsreeks van het langlevende uranium 238 respectievelijk uranium 235 tot nu toe steeds opnieuw gevormd worden)!
Konclusies: Daar er in de aardkorst geen middellanglevende nuclide meer oorspronkelijk voorkomen, moet sinds de vorming van deze elementen een tijd voorbijgegaan zijn, die minstens overeenkomt me het 13-voudige van hun halfwaardetijd, want ze zijn zo volledig uiteengevallen dat hun aanwijsbaarheid niet meer mogelijk is. Anderzijds kunnen voor de langlevende nucliden niet meer dan 13 halfwaardetijden voorbij zijn, omdat ze allemaal nog voor meer dan 1,01% bestaan en dus aan te tonen zijn. Daar de grens van het voorkomen ligt bij een halfwaardetijd van 500 millioen jaar moet de tijd van het algemene onstaan van de nukliden ongeveer 13 x 500 millioen = 6, miljard jaar achter ons liggen.
Een tegenwerping: Men zou kunnen tegenwerpen dat alle 286 stabiele langlevende nukliden gevormd zijn maar de 39 midde langlevende niet, of die zouden naderhand vervluchtigd zijn. Maar deze verklaring is hoogst ongeloofwaardig, want de waarschijnlijkheid van toevallig juist deze verdeling is kleiner dan 1 staat tot een triljoen! De wel aanwezige en de ontbrekende nucliden verschillen systematisch namelijk niet in hun kern-physieke struktuur en energiebalans, en evenmin in hun chemische eigenschappen. Daarom zien we niet in waarom enerzijds het altijd voorkomen van de stabiele en langlevende nucliden en anderzijds het volkomen ontbreken van de middellanglevende nuclide een andere reden zou hebben dan juist hun verschillende halfwaardetijd. Tengevolge daarvan namelijk is de ene soort pas gedeeltelijk uiteengevallen en daardoor nog aantoonbaar terwijl de andere soort daarentegen vrijwel geheel uiteengevallen en niet meer terug te vinden is.
Het onloochenbare feit dat alle middellanglevende kernsoorten op aarde niet meer in hun oorspronkelijke staat voorkomen, terwijl alle nucliden met halfwaardetijden van meer dan 500 miljoen jaren wel voorkomen is alleen te verklaren uit het feit dat de aarde circa 6,5 miljard jaar geleden ontstaan is!
IS VOOR DE BIJBEL DE HEMEL EEN 'FIRMAMENT' ?
Later sprak God: "Er zij een dunne uitbreidingslaag (hebreeuws raqia) tussen de wateren opdat deze een scheiding worde tussen wateren en wateren!" ... En toen noemde God de dunne uitbreidingslaag (raqia) "hemel".
Genesis 1:6,8De Luthervertaling spreekt hier van een "veste", waarschijnlijk ontleend aan de vulgata, een Latijnse vertaling van de bijbel, die omstreeks het jaar 400 na Christus ontstond. Deze vertaalt, waarschijnlijk overeenkomend met het wereld-beeld van toen, "raqia" met "firmamentum", dat afgeleid is van "versterken, bevestigen". Maar "raqia" stamt af van het werkwoord "raqa" waarvan de grond-betekenis luidt: "een substantie tot een dunne laag pletten". Dit bevestigen ook de verwante woorden:
hebreeuws: raq = 1. dun, iel; 2. slechts
" raqiq = plat brood, vlaai (Exodus 29:2,23)
" riqqua^ = dun plaatijzer (4.Mose 17:3)
assyrisch: rakaku = dun maken
arabisch: raqqa = dun zijn
syrisch: riqo^ = dun maken
Het werkwoord "raqa" nu wordt ook voor het plathameren van zachte metalen tot blik gebruikt, maar het is een misverstand om het daarom de betekenis van: "door hameren vastmaken" toe te schrijven! Dit woord heeft noch met hameren noch met vastmaken iets te doen, maar betekent gewoon het overtrekken van een onderlaag met een dun laagje, bijvoorbeeld van een gegoten afgodsbeeld met een dunne goudlaag (Jesaja 40:19) of van het aardoppervlak met planten (Jesaja 42:5). Daarom zou een voor de hand liggende vertaling van "raqi " kunnen zijn: "een dun uitgespreide (lucht-) laag". God noemde deze in het Hebreeuws "sjama-jim", wat een meervoudsvorm is en in 't algemeen "de hemelen" betekent. Net als in het Nederlands kunnen daarmee verschillende soorten hemelen bedoeld worden, want in't algemeen geldt voor iets dat "hemel" genoemd wordt, dat het op de een of andere manier hoger is dan de aarde (vergelijk Jesaja 55:9). Drie soorten hemel zijn:
1. De lucht-hemelen = atmosfeer, die, zoals bekend in verscheidene "sferen" verdeeld is. Voorbeelden Genesis 1:30; 8:2; Jozua 8:20; 2.Samuel 21:10.
2. De sterren-hemelen = Galaxien. Wat wij als nachthemel beschouwen zijn de sterren aan onze "melkweg". Deze sterren-hemel is er slechts een van de ongeveer honderd miljard! Voorbeelden: Genesis 15:5; 22:17; Deuteronomium 1:10.
3. De onzichtbare werkelijkheden, de werelden van hogere bestaansorde dan de materiele wereld. Voorbeelden: Genesis 20:12; 1.Koningen 8:30; Ezechiel 1:1.
Hieraan nog een bijbelplaats toegevoegd kunnen we nu afsluitend vastleggen wat er in Genesis 1 met "raqi " bedoeld wordt:
Wat vleugels heeft vliege over de aarde op het gelaat van de dunne uitbreidingslaag (raqia) van de (lucht-) hemelen! Genesis 1:20
Derhalve scheidt die "raqia" enerzijds de wateren der wolken ruimtelijk van die van de wereldzeeen (vers 6,7) anderzijds is het die ruimte waarin de gevleugelde dieren rondvliegen (vers 20). Zelfs wanneer men aanneemt dat de hier bedoelde luchtlaag, de atmosfeer, enige kilometers dik is dan maakt deze toch in vergelijking met de middellijn van de aarde (12.800 kilometer) inderdaad een over de gehele planeet "dun uitgespreide laag" uit.
DE OORSPRONG EN DE VERSPREIDING DER LANDPLANTEN
En later sprak God: "De aarde veroorzake dat scheuten opkomen en gewas dat als kruid is en zaad zaait, en vruchtgeboomte ..." Genesis 1:11
Wij leggen er de nadruk op dat hier niet sprake is van een scheppingsdaad van God. Er staat niet: "... en God schiep (bara')", maar in de grondtekst staat heel duidelijk dat de aarde, dus het vaste land het ontspruiten van planten zou moeten veroorzaken. Zo gezien schijnt Gods bevel in eerste instantie onbegrijpelijk; als we het volgende vers bekijken helpt dat ons echter een stap verder:
En zo veroorzaakte het vaste land dat scheuten te voorschijn kwamen (jatsa') .
De hier gebruikte vorm van het werkwoord "jatsa"' betekent letterlijk; "veroorzaki dat iets uitkomt". Twee dingen zijn in dit verband bijzonder belangrijk:
1. Nooit beschrijft dit werkwoord het laten ontstaan van iets nieuws, integendeel, hetgene dat tevoorschijn gebracht moet worden is altijd reeds aanwezig.
2. Waaruit de betreffende zaak tevoorschijn gebracht moet worden is vaak niet aangegeven en moet geconcludeerd worden uit het tekstverband. Zo haalde Melchisedek voedsel tevoorschijn (uit de stad, Genesis 14:10). God leidde Abraham uit (uit de tent, Genesis 15:5); Abrahams knecht haalde sieraden tevoorschijn (die ergens in opgeborgen waren, Genesis 24:53) enz.
Daarmee staat in elk geval vast, dat het plantaardige leven reeds van tevoren moet hebben bestaan, zodat het nu door het vaste land tevoorschijn gebracht kon worden. Uit het tekstverband blijkt dat als plaats van oorsprong van de planten alleen het vaste land zelf of de wereldzeeen in aanmerking komen (vers 10), waarbij de zeeen het laatst, onmiddellijk voor Gods bevel, genoemd worden en dus het meest daarop betrokken zijn. Een ander feit geeft een duidelijke verwijzing naar de oorsprong van de planten: nergens in de Bijbel wordt melding gemaakt van het scheppen van het plantaardige leven, het lijkt in Genesis 1:12 uit het niets op te duiken. Maar we moeten de volgende uitspraak nauwkeurig bekijken:
... de Geest Gods zweefde beschermend over de vlakte der wateren. Genesis 1:2
Het met "beschermend zweven" vertaalde werkwoord "richeph" komt in de Bijbel slechts twee maal voor, nl. in Genesis 1:2 en op de volgende plaats:
En God vond het volk Israel in de woestijn en in de tohu ... Hij omgaf het, sloeg er acht op en behoedde het als Zijn oogappel - zoals de adelaar zijn broedsel opwekt, over zijn jongen beschermend zweeft, zijn vleugels uitbreidt ... 5.Mose 32:10,11
Het is opvallend dat hier (evenals in Genesis 1:2!) melding gemaakt wordt van een "tohu" (vers 10) waaruit God levende wezens, namelijk het volk Israel, redde! Dit handelen van God wordt vergeleken met het in het volgende vers beschreven bedekkende gebaar van roofvogels, waarbij ze hun vleugels over hun jongen in het nest uitbreiden om ze tegen alles wat hen bedreigt te beschermen. Dit wordt bevestigd door de verwante woorden:
- arabisch : refrefe = de vleugels beschermend uitspreiden
- syrisch : racheph = ergens overheen gaan liggen, broeden
Gezien dit resultaat ligt het voor de hand dat er in Genesis 1:2 niet van levenloze materie gezegd wordt dat deze beschermd werd. Het moet stellig iets levends geweest zijn, dat door Gods Geest voor de ondergang bewaard werd en wel in de wateren. De planten in de derde fase stammen dus waarschijnlijk af van een levensvorm die reeds "in den beginne" geschapen was en tijdens de tohuwabohu-catastrophe in de wateren door Gods Geest beschermd was. Door het omhoogkomen van het vaste land (verzen 9,10) werd dan veroorzaakt dat reeds aanwezig plantaardig leven uit de zeeen TEVOORSCHIJN KWAM (jatsa') en zich op het vaste land verbreidde.
HECHTTE GOD ZON, MAAN EN STERREN AAN HET FIRMAMENT?
Toen bereidde (asah) God de twee grote lichten (ma'or) toe: het grote licht tot heersen over de dag (jom) en het kleine licht tot heersen over de nacht, en de sterren. Genesis 1:16
Soms wordt er op gewezen dat de zon toch pas op de vierde "dag" geschapen zou zijn, en tegelijkertijd wordt de vraag gesteld, waar het licht van de eerste drie dagen vandaan zou komen. Hierbij twee belangrijke constateringen:
1. In Genesis 1:14-19 wordt niet gesproken van een nieuwe schepping. Het werkwoord "bara' = scheppen" wordt niet gebruikt, maar wel het op blz. 16 nader besproken '"asah = iets toebereiden uit iets anders dat reeds aanwezig is".
2. Bij nauwkeurige lezing valt op dat er niet gesproken wordt van "zon = schämäsch" en ook niet van "maan = jareach" maar wel van "lichten = ma'or". Dit woord stamt van '"or = licht, helderheid", zoals het in Genesis 1:3-5 voorkomt.
Het gaat hier dus niet om de zon en de maan als hemellichamen, maar om de van hen uitgaande lichtstraling (ma'or)! Deze was reeds aanwezig en werd nu toebereid (asah). Zo wordt het volgende vers begrijpelijker:
En toen plaatste (natan) God ze (namelijk de van zon, maan en sterren uitgaande rechtlijnige lichtstralen) in (be) de dun uitgespreide laag (raqia) van de (lucht-) hemelen om op de aarde te schijnen ... Genesis 1:17
Het zeer vaak gebruikte woord "natan" heeft niet het geringste te maken met een "aanhechten" of "bevestigen", maar betekent gewoon: "geven", "toegeven", ook in de zin van "toestaan", "volmacht geven". Een heel algemene vertaling zou misschien kunnen luiden: "in een werkingsgebied brengen". In het tekstverband is dat bedoelde werkingsgebied de dun uitgespreide luchtlaag (raqia) waarover op blz. 12 reeds uitvoerig gesproken werd. Laten we nu trachten een samenvattende verklaring te geven:
Door de tohu-wabohu-catastrofe werd de aarde verwoest en in volkomen duisternis gehuld (Genesis 1:2) omdat het licht (‘or) van zon en maan absoluut niet door het dikke wolkendek kon dringen. In de loop van de eerste periode werd dit hindernis minder - "het werd licht (‘or)" omdat het licht van de zon weer tot het aardoppervlak kon doordringen. Er bleef echter een, weliswaar lichtdoorlatende wolkenlaag bestaan, zodat er wel verschil tussen dag en nacht was, maar noch zon noch maan zichtbaar waren - vergelijkbaar met(nu)een bewolkte dag. Tot de vierde periode was er in de onderste luchtlaag (raqia) dus alleen diffuus licht geweest. Pas van toen af aan konden de sterren rechtlijnig tot in de onderste luchtlaag doordringen en het aardoppervlak bereiken. Men zou dit ook zo kunnen uitdrukken:
De van de sterren uitgaande rechtlijnige lichtstraling werd nu "in het werkingsgebied van de "raqia" gegeven (natan)". Op de lange weg door de atmosfeer ondergaat deze daarbij - ook nu nog - een belangrijke beinvloeding en verandering, bijbels uitgedrukt: hij wordt toebereid (asah, Genesis 1:16).
Pas in het verloop van de vierde fase werd de atmosfeer helder, zodat de zon niet slechts als licht (‘or), maar ook als lichtbron (ma'or) waar te nemen was. Overeenkomstig de volgorde in de tekst van de Bijbel werden achtereenvolgens de zon, de maan en ten slotte, bij geheel heldere hemel, de sterren zichtbaar.
DE LEVENDE ZIELEN VAN DE ZEE EN HET VASTE LAND
Daarna sprak God: "De wateren zullen wemelen van krabbelende levende ziel (nefesh) en alles wat vliegt vliege heen en weer over de aarde op het gelaat van de dun uitgespreide laag van de (lucht-) hemelen!"
Toen schiep (bara') God de grote zeemonsters en elke (andere) levende ziel (nefesh), de zich bewegende, waarvan het wemelt in de wateren, naar hun aard, en elk gevleugelde dat vliegt, naar zijn aard. Genesis 1:20,21
Tot zover was er op de gevallen aarde al organisch leven aanwezig, bijvoorbeeld de planten (vers 12), maar nu kwam er een scheppingsdaad van God waarbij Hij iets volledig nieuws uit zichzelf tot bestaan bracht: wezens met "ziele"-leven, Hebreeuws "nefesh", waarvan de typische kenmerken bijv. driften, verlangens, angst en vreugde zijn. De dieren, waarover in vers 20 bericht wordt, zijn enerzijds wriemelende levende wezens in de wateren der zeeen en anderzijds vliegende dieren die zich in het binnenland vermeerderden. De vertaling met "vogels" is niet correct, omdat het hier gebruikte zelfstandige naamwoord " oph" afgeleid is van het werkwoord " uph = vliegen" en dus "vliegenden" betekent - waarmee ook Insekten aangeduid worden (bijv. 3. Leviticus 11:20-22).
Later sprak God: "Laat het vasteland levende zielen (nefesh) tevoorschijn brengen (jatsa') naar hun aard, viervoetig landgedierte en zich bewegende en (hogere) levende wezens van het vasteland naar hun aard.
Toen bereidde ( asah) God de levende wezens van het vasteland toe naar hun aard, en het viervoetige landgedierte naar zijn aard ... Genesis 1:24,25
Het is buitengewoon belangrijk, dat de levende zielen van het vasteland niet geschapen (bara') werden! Daarentegen veroorzaakte het vasteland dat zij tevoorschijn kwamen, daarna werden zij toebereid (asah). Ons onderzoek van het verslag omtrent de derde tijdsperiode had als resultaat, dat de veroorzakingsvorm van "jatsa"' tot uitdrukking brengt, dat Jemand of iets veroorzaakt, dat een reeds bestaande zaak of wezen tevoorschijn gehaald of tevoorschijn geleid of - gebracht wordt (blz 13). Uitgaande van taalkundige overwegingen en van de context kwamen wij tot de conclusie, dat toen het vasteland het tevoorschijnkomen van plantaardig "leven" uit de wateren der zeeen veroorzaakte. Het feit, dat het verslag over het ontstaan van de landdieren op dezelfde wijze geformuleerd wordt, toont aan dat zich daarbij een soortgelijk verloop van gebeurtenissen moet hebben afgespeeld. Deze keer is het van te voren al duidelijk, waarop dat "tevoorschijn laten komen" betrekking heeft: het enige dat bedoeld kan zijn zijn de wateren der zeeen. Daarin waren al wezens met zieleleven aanwezig, die God eerder geschapen had (vers 20-22) en waarvan nu een deel "eruit" kon "komen". We kunnen ons deze gang van zaken misschien als volgt voorstellen: Door stijgingen van het vasteland zakte de zeespiegel langzaam. Langs de oevers ontstonden ondiepe meren, die langzamerhand opdroogden. Deze veranderingen hadden de aanpassing van niet-specifieke zeedieren aan het leven op het vasteland tot gevolg. In die zin "veroorzaakte" het vasteland, dat reeds bestaande levende zielen op het land "eruit kwamen" (jatsa', vers 24).
Het valt op, dat de door God geschapen wezens met zieleleven van de zeeen (vers 21) bijzonder gezegend werden (vers 22), maar niet de later toebereide (asah) wezens met levende zielen van het vasteland (vers 25). De verklaring is dat de laatsten van de wezens met levende zielen van de zee afstamden, zodat de zegen van laatstgenoemden in de landdieren doorwerkte. Om deze reden was een nieuwe zegening niet nodig.
DE TOEBEREIDING EN DE SCHEPPING VAN DE MENSHEID
En daarna sprak God: "Laat ons mensen (toe)bereiden (asah) naar ons beeld en naar onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen van de zee, over het gevogelte van de hemel en over de viervoetige landdieren en over de ganse aarde en over alles wat zich beweegt, wat zich op het vaste land beweegt."
En hierop schiep (bara') God de mens (of: de mensheid) naar zijn beeld , naar het beeld van God schiep (bara') Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep (bara') Hij hen (meervoud). Genesis 1:26,27
De grondtekst wijst er op dat de mensheid in twee "fasen" is ontstaan: zij is zowel (toe)bereid (asah) als geschapen (bara'). Het valt op dat God al voor de schepping van de mensheid zegt: "Laat ons mensen (toe)bereiden (asah)", en wel om de volgende reden: het woord 'asah' komt ca. 2600 maal voor in het Oude Testament en geeft een handeling aan, waarbij God of ook mensen iets dat al aanwezig is doelgericht (toe)bereiden; drie voorbeelden daarvan:
... en jaag mij een wildbraad en bereld (asah) mij een smakelijk gerecht zoals ik het graag heb. Genesis 27:3,4
En zij namen stenen en maakten (asah) een hoop (daarvan). Genesis 31:46
En Ik (Jahwäh) zal u (Abraham) tot een groot volk maken (asah) ... Genesis 12:2
In Genesis 1:26 kan de (toe)bereiding volgens de context alleen maar betrekking hebben op de levende wezens die al tijdens de zesde tijdsperiode bestonden (vers 24,25) en die ook viak voor de (toe)bereiding van de mensheid genoemd worden. God bereidde dus een deel van deze levende wezens, die Hij al eerder tot levende zielen geschapen had, doelgericht toe, eerst tot landdieren, en nu was de mensheid aan de beurt. En zoologisch gezien is de mens in vergelijking met de dieren echt geen 'nieuw schepsel'. Mens en dier hebben allebei dezelf de Organen en ze zijn onderworpen aan dezelfde wetten van stofwisseling, groei, ouder worden en sterven. Dit wordt in de Bijbel nadrukkelijk gezegd:
... wegens de kinderen der mensen gebeurt het, ... opdat zij zien dat zij op zich dieren zijn.
Want wat het lot van de mensenkinderen en het lot van de dieren betreft, dat is enerlei: zoals die sterft, sterft deze, en zij hebben allemaal een (levens-)geest (ruach); en de mens is niet uitnemender dan de dieren ... Prediker 3:18.19
Pas na de (toe)bereiding of juist daarin volgde de schepping: "En hierop schiep (bara') God de mens ...". Van welke aard was deze scheppingshandeling? Wel, de al bestaande levende wezens, die dieren, waaruit de mensheid werd (toe)bereid, vormden een twee-eenheid van lichaam en ziel. Maar de mens kan zijn opdracht om te heersen slechts daarom vervullen (vers 26), omdat hij een geestelijk begaafd wezen is, geschapen naar het beeld van God. En God is Geest (Johannes 4:24).
De scheppingshandeling van Genesis 1:27 bestond er dus uit dat al bestaande en (toe)bereide levende wezens met een lichaam en een ziel tot geestelijke wezens, tot mensen geschapen werden. En hiermee was de wereld een nieuwe fase ingegaan: die van geestelijk begaafde aardse levende wezens.
God was op de gevallen aarde doelgericht aan het werk geweest en had het eertijds verwoeste hemellichaam tot een bewoonde planeet (toe)bereid. Het was de bedoeling van God om uitgaand van de aarde de gehele schepping te verlossen. En daarbij speelde de mensheid een heel belangrijke rol, want God wilde een verbondsrelatie met de mens aangaan (vg. Romeinen 8:19ff; Psalm 8:4-6). De opdracht van de mens zou zijn, een middelaar tussen God en de gevallen schepping te worden. Daarvoor hat God hem enerzijds (toe)bereid uit wat al bestond en anderzijds nieuw geschapen: omdat de mens biologisch gezien van de dieren afstamt en zelfs een dier is, omvat hij alle fasen van de wereld, van materie tot bezield leven, en daardoor vertegenwoordigt hij dus de schepping voor God. Maar hij is meer dan dat: hij is ook naar het beeld van God geschapen en hij vormt een eenheid van geest, ziel en lichaam (1. Thessalonicenzen 5:23).
Het is de bedoeling dat hij geestelijke gemeenschap met de Schepper zelf heeft en zo een vertegenwoordiger van God in de gevallen schepping is, die de heerschappij van God uitoefent in liefde en gerechtigheid en in gehoorzaamheid jegens God. Het is echter wel zo dat de gehele mensheid eerst zelf door God verlost moet worden; dan pas kan zij, in volkomen gemeenschap met Hem, haar roeping vervullen. Het plan van God is dus van meet af aan op de ene Mens Jezus Christus gericht geweest, die als "de Mens" (Johannes 19:5) en tegelijkertijd als de Zoon van God en dus God zelf (Johannes 1:1,14; 20:28,29) deze verlossing moest bewerkstelligen (Johannes 1:29). Pas in de gemeenschap met de ene Mens Jezus Christus en doordat zij naar Zijn beeld veranderd wordt (Johannes 15:4,5; 2. Corintiers 3:18), kan de mensheid de opdracht vervullen, waarvoor zij door God geschapen is. De (toe)bereiding en de schepping van de mensheid vormden dus een grote stap in de richting van dit doel - de verlossing van de schepping - en alles was klaar voor de verwezenlijking van de volgende stap in het plan van God: het maken van een verbond, een nauwe geestelijke gemeenschap tussen God en de mens. En dat betekende dus het einde van een werkingsperiode van God.
DE DRIE SCHEPPINGSHANDELINGEN IN GENESIS 1
In Genesis 2:4 leren we dat het bij de gebeurtenissen in Genesis 1 om 'volgorden van ontstaan in nun geschapen worden (bara')' gaat. Dat betekent dat scheppingshandelingen van God de basis vormden voor de ontstaansgeschiedenis. Het Hebreeuwse woord 'bara' = scheppen' komt slechts 47 maal in het Oude Testament voor en wordt uitsluitend gebruikt voor een handelen van God, waarbij Hij uit zichzelf iets nieuws doet ontstaan. In Genesis 2:3 wordt er dan (in de grondtekst) een wetmatigheid in het handelen van God beschreven: "God schiep (bara') om (daarna het geschapene) (toe)tebereiden ( asah)." Tussen de afzonderlijke scheppingshandelingen, die a.h.w. de pijlers waren, waar de ontwikkeling op rustte, vond er dus een doelgerichte (toe)bereiding door God plaats, gericht op de volgende scheppingshandeling. De overgang van de ene 'fase van de wereld’ naar de volgende, hogere berustte telkens op een scheppingshandeling (bara’) van God, die aan de al (toe)bereide schepping iets toevoegde wat er nog niit eerder geweest was. De drie in Genesis 1 vermelde scheppingshandelingen van God zijn:
De schepping van het heelal, dus van materie, ruimte en tijd, waarschijnlijk ook van organisch leven (Genesis 1:1).
De schepping van organische levende wezens tot 'levende zielen', m.a.w. tot een eenheid van ziel en lichaam (Genesis 1:21).
De schepping van levende wezens met een ziel en een lichaam tot een eenheid van geest, ziel en lichaam, zoals dat bij de mensheid gezien wordt (Genesis 1:27).
WAT BETEKENT DE BIJBELSE TERM 'AARD' ?
In Genesis 1 wordt herhaaldelijk gezegd dat de levende wezens van de aarde in verschillende 'aarden' voorkwamen. De vraag rijst dan: sluiten de uitspraken van de Bijbel over de diersoorten uit dat levende wezens van elkaar afstammen, zoals de natuurwetenschappen leren? Staan de Bijbel en de natuurwetenschappen hier tegenover elkaar omdat de Bijbel beweert dat de soorten kant en klaar en onafhankelijk van elkaar geschapen zijn door God, terwijl ze volgens de natuurwetenschappen ontstaan zijn doordat bestaande levensvormen zich in verschillende takken splitsten? Om aan te tonen wat de Bijbel onder de term 'aard' Verstaat, vatten we samen wat de standaard woordenboeken (bijv. Gesenius/Springer uitg. 1962; Koehler-Baumgartner/E.J.Brill 1958) gemeenschappelijk zeggen over de Hebreeuwse woordgroep 'min':
De Hebreeuwse wortel 'min'; Deze wortel ligt ten grondslag aan het zelfstandig naamwoord 'min' en betekent: van een al bestaande stof afscheuren, afsnijden;
in overdrachtelijke zin: verschillend maken.
De Arabische wortel 'min': Deze wortel betekent (ter vergelijking): van elkaar
scheiden, splitsen; in overdrachtelijke zin: van alle kontakt afzonderen, verre houden.
Nieuwhebreeuws 'min': Ketter, afvallige, sektarier, Joodse Christen. Verwante
Hebreeuwse woorden:
'men' (Psalm 68:24) = deel, aandeel
'manan' = scheiden, afscheiden, delen, afzonderen
'manah' (overdrachtelijk van 'splitsen, delen') = teilen, toebedelen
'manah' (afgeleid zelfstandig naamwoord) = deel, aandeel, portie.
Het voorzetael 'min':
De grondbetekenis is: schelding, afsplitsing, 'deel van'. In de context kan het de volgende betekenissen hebben:
1. uitgangspunt van een beweging, "uit iets te voorschijn komen":
- afstamming, afkomst (Jesaja 58:12; Genesis 17:16; Richteren 13:2; Job 14:4 - telkens met 'uit' vertaald)
- oorsprong, oorzaak, aanleiding: uitgaan van, op grond van, wegens;
2. ruimtelijke beweging 'van iets weg'. Van daaruit in overdrachtelijke zin:
afzondering, vermijding, verhindering, voorkomen;
3. vanuit het begrip 'afscheuren' ontwikkeld: deel van een hoeveelheid - 'van';
4. vanuit het begrip 'afstand' ontwikkeld: vergelijking, verschil - '... als ...'.
De hele woordgroep 'min' en de verwante uitdrukkingen hebben de volgende grondbetekenissen gemeen: het gaat om ...
1. het deel, het uitgangspunt, de oorsprong vanuit iets bestaands,
2. de afscheiding, afzondering, verwijdering, afsplitsing hiervan,
3. en als gevolg daarvan de onder-scheiding, het 'iets aparts zijn', zodat
het tenslotte niet meer met het oorspronkelijke verenigbaar is.
De algemene betekenis van het zelfstandig naamwoord 'min' is dus afkomst/her-komst, af scheid ing/afsplitsing, 'datgene, wat zich door zijn eigenschappen onder-scheidt'; in deze zin ook: aard, soort. Een treffender beschrijving van het natuur-wetenschappelijke begrip 'soort, aard' is er nauwelijks te geven. Men gaat er tegenwoordig van uit dat de soorten ...
1. hun uitgangspunkt, hun oorsprong in al bestaande levende wezens hebben gevonden,
2. zich daarvan hebben gescheiden, afgesplitst (ook in ruimtelijke zin!)
3 en zulke verschillende karakteristieke trekken gekregen hebben dat een vereniging met andere soorten (m.a.w. een paring met vruchtbare nakome-lingen) uitgesloten is.
Samenvattend kunnen we dus vaststellen dat het bijbelse begrip 'min = afkomst, herkomst' duidelijk aangeeft dat de 'soorten' zich van een gemeenschappelijke oorsprong hebben afgesplitst en als gevolg daarvan verschillende wezenskenmerken hebben gekregen!
NOG DRIE CONSTATERINGEN
Genesis 1:31; 2:2,3
En toen zag God alles wat Hij gemaakt ( asah) had, en zie, het was zeer goed. Daarna viel er een 'avond' en toen kwam er een 'morgen': de zesde 'dag' ...
Toen voleindigde God op de zevende dag (jom) Zijn werk, dat Hij gemaakt (asah) had; daarna hield Hij op de zevende dag op (sjabat) van al Zijn werk dat Hij gemaakt had.
Toen zegende God de zevende dag, en Hij heiligde hem, want op die (dag) hield Hij op (sjabat) van al Zijn werk, dat God geschapen (bara') had om het toe te bereiden (asah).
1. Men zegt wel dat de tohu-wabohu van Genesis 1:2 geen verwoesting geweest kan zijn, want de woorden "... het was zeer goed" van vers 31 zouden dood en verderf in de schepping uitsluiten. Bij nauwkeurig lezen houdt dit argument echter geen stand: er wordt niet van het gehele heelal of de aarde gezegd dat ze 'zeer goed' waren, maar van datgene, wat God in de gevallen schepping bewerkte. Voor de gevallen schepping blijft deze uitspraak tot haar volkomen verlossing geldig - zij is verminkt door schuld, dood en verderf, maar alles wat God er in doet, is onberispelijk.
2. In Genesis 2:2,3 wordt meestal vertaald dat God van Zijn werk 'gerust’ heeft. Het hieraan ten grondslag liggende Hebreeuwse woord 'sjabat' betekent echter letterlijk 'ophouden', wat duidelijk blijkt uit de volgende Schriftplaatsen en uit nog vele andere:
Toen hielden die drie mannen op (sjabat) Job te antwoorden ... Job 32:1
Drijf de spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden (sjabat). Spreuken 22:10
Het is niet zo dat God al Zijn aktiviteiten stopzette; Hij hield op met een heel bepaald werk. Daarna bleef Hij niet onledig, maar Hij zegende de zevende tijdsperiode en heiligde die. God is geen mens, die bij het werken moe wordt en dan moet uitrusten, integendeel, Hij werkt voortdurend in de schepping en Hij draagt het heelal zonder onderbreking door Zijn Woord:
Een eeuwige God is de HERE, de Schepper van de einden der aarde, Hij wordt niet moe, noch mat ... Jesaja 40:28
En Jezus antwoordde hun (nl. de Joden, bij een twist over de sabba):
Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Johannes 5:17
... (de Zoon), die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht. Hebreen 1:3
3. Terwijl van alle voorgaande tijdsperiodes gezegd wordt dat ze 'ophielden’ waarna er iets 'nieuws aanbrak', wordt dat van de zevende tijdsperiode nergens gezegd. En dus duurt deze periode nog steeds voort! Nu begrijpen we ook waarom er staat dat God de zevende dag zegende, omdat Hij op die dag van al Zijn werk ophield: er stond een volkomen nieuw hoofdstuk in het handelen van God voor de deur, dat nog binnen de zevende tijdsperiode zou beginnen, en daarom verleende God die dag zegenrijke kracht. Bovendien is dit nogweer een bevestiging dat de tijdsperiodes in Genesis 1 lang geweest moeten zijn, want als de zevende dag nu nog steeds voortduurt, moeten ook de voorgaande zes tijdsperiodes heel lang geweest zijn.
IS GENESIS 2:5 EEN 'TWEEDE SCHEPPINGSVERHAAL'?
De lezer heeft zich misschien al afgevraagd waarom de tekst van Genesis 2:5 e.v. tot nu toe nog niet in het onderzoek betrokken is geweest. Is het niet gewoon een 'tweede scheppingsverhaal', dat hetzelfde gebeuren beschrijft als de ontstaansgeschiedenis van Genesis 1? Laten we allereerst het begin van dit verhaal eens lezen (Genesis 2:5-15):
Het klimaat en de toestand van het land Mesopotamie
5 Er was nog geen enkel veldgewas in (be) het land Cäräs), en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de HERE God had het niet op de aarde Cäräs) doen regenen, en er was geen mens om de aardboden te bewerken;
6 maar een wel steeg op uit de aarde (äräts) en bevochtigde de gehele vruchtbare bodem (adamah) -
De ene mens Adam
toen formeerde (jatsar) de HERE God de Adam: stof uit (min) de vruchtbare aardbodem Cadamah). En later blies Hij de (erkenntnis)geest (n schamah) des levens in zijn neus; alzo werd de adam tot een levende ziel (naphäsj).
De bestem m i ng van Adam
Voorts plantte de HERE God een hof in (be) Eden, in het Oosten, en Hij plaatste (sim = vaststellen, bestemmen, bepalen) daar de Adam, die Hij geformeerd (jatsar) had.
De voorbereiding van de hof in Eden
Ook deed de HERE God allerlei geboomte
begeerlijk om te zien en goed om van te
in het midden van de hof, benevens de boom
uit de aardbodem opschieten, eten; en de boom des levens der kennis van goed en kwaad.
De vanuit Eden stromende rivieren
Er ontsprong in Eden een rivier om de hof de bevochtigen, en daar splitste zij zich en werd zo tot vier stromen.
De naam van de eerste is Pison; deze stroomt om het gehele land Cäräs) Chawilah, waar het goud is;
en het goud van dat land Cäräs) is goed; daar is de balsemhars en de chrysopraas.
De naam van de tweede rivier Is Gichon; deze stroomt om het gehele land Cäräs) Ethiopie (Kus = het Zuidland).
De naam van de derde rivier is Tigris; deze stroomt ten oosten van Assur.
En de vierde rivier is de Eufraat.
Adam in de hof van Eden
En de HERE God nam de Adam en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren (sjamar).
1. Genesis 2:5 e.V. als chronologisch vervolg van het 'scheppingsverhaal'
Eigenlijk is het heel logisch dat een tweede hoofdstuk inhoudelijk voortborduurt op het eerste en dus dingen beschrijft, die later zijn gebeurd. Normaliter zou een onvooringenomen lezer ook hier in Genesis 2:5 e.v. niets anders zien dan een vervolg op Genesis 1:1-2:4. Maar door de traditie en de leer van de "twee scheppingsverhalen" wordt deze logische en chronologische volgorde versluierd. Zover zelfs, dat de door mensen toegevoegde opschriften in de Bijbel de lezer dikwijis al bij het begin van dit hoofdstuk op een dwaalspoor brengen zodat hij het hele volgende verhaal met een verkeerde vooronderstelling leest. Maar de voorstelling die Genesis 1 in de lezer bewerkt, is: omdat de zevende Periode in tegenstelling tot de eerste zes geen 'ingang' vond, ligt het voor de hand dat Genesis 2 nu beschrijft wat er in deze Periode, dus na de zesde 'dag’ gebeurd is.
2. De geografische achtergrond
In het verloop van het verhaal van Genesis 1 en 2 wordt het gezichtsveld verscheidene keren achtereen vernauwd:
1. In Genesis 1:1 wordt de schepping van het heelal, namelijk hemel en aarde, bericht.
2. Daarna beperkt de beschrijving zich tot de planeet aarde (vers 2),
3. daarna tot het vasteland met zijn planten- en dierenwereld, inclusief de mensheid (vers 9 e.V.).
4. Vanaf Genesis 2:5 e.v. vernauwt het gezichtsveld zich verder op het Midden Oosten, en wel op het land Mesopotamie (Tweestromenland),
5. daarna vernauwt het zich nog vorder op Eden, en tenslotte op
6. de hof in het oosten van Eden (Genesis 2:8 e.v.).
In dit verband is het zeer belangrijk dat het Hebreeuwse woord "äräs' net als in het Nederlands meerdere betekenissen kan hebben:
- de planeet Aarde (Job 26:7; Jesaja 45:18; Genesis 1:1 enz.)
- het vasteland in tegenstelling tot de zee (Genesis 1:10,28)
- het aardoppervlak (Genesis 2:1,20; Job 37:6)
- een land - de meest voorkomende betekenis (Genesis 2:5,11,12,13; 10:5,10 enz.)
- een lap grond of een akker (Genesis 23:15)
- de bevolking van een land (Genesis 6:11; 34:1 enz.)
De juiste betekenis valt alleen uit de context te halen. Uit het bestuderen van Genesis 2:5 e.v. wordt duidelijk dat vanaf daar het land Mesopotamie bedoeld is, dat tussen de zee (de Perzische Golf) en het geborgte Ararat (Genesis 8:4) ligt en doorstroomd wordt door de in Genesis 2:14 genoemde rivieren Tigris en Eufraat. Daar liggen ook de landen Cäräs) Kus en Assur (Genesis 2:13,14). Daarom Is de volgende letterlijke vertaling van Genesis 2:5 juist:
Er was nog geen enkel steppestruikgewas van het veld in (b ) het land (äräts*)..., want God de HERE had het niet op het land doen regenen; er was echter geen mens om de vruchtbare grond te bewerken.
De reden voor het ontbreken van plantengroei in dit gebied was dus niet dat er totaal geen planten en mensen bestonden! Er was gewoon gebrek aan regen en er woonden daar geen mensen die door middel van irrigatie landbouw hadden kunnen bedrijven.
_________________________________________________________________________
1*: De formulering 'in het land' (ba'aräts) komt ook voor in:
Genesis 19:31: "... en daar is geen man in het land ..."
Exodus 9:22: "... al het veldgewas in het land Egypte ..."
3. Het verschil in inhoud
De verkeerde veronderstelling dat Genesis 2:5 e.v. als "tweede scheppingsverhaal' dezelfde gebeurtenissen beschrijft als Genesis 1:1 - 2:4 leidt natuurlijk tot pogingen de beide verhalen met elkaar in overeenstemming te brengen. Omdat beide teksten echter verschillende gebeurtenissen behandelen, zijn zulke pogingen tot mislukken gedoemd. Een kort overzicht moge dit verduidelijken:
Genesis 1:1-2:4ff Genesis 2:5ff
1. Planten op het vasteland Voordat er planten in het land zijn,
wordt de ene mens, Adam, gevormd
2. Zee- en landdieren Dan planten in Eden
3. De schepping van de mensheid Boomvruchten - verbod!
4. Het voedsel - geen verbod! Daarna dieren in Eden
5. - - - Tenslotte: de ene vrouw, Eva
VOLGORDE:
Planten - dieren - mensen Adam - planten - dieren - Eva
PLAATS: het vasteland Mesopotamie, resp. Eden
TIJD: 1ste tot 6de periode tijdens de 7de periode
4. Het ontbreken van het woord 'bara' = scheppen'
Ook als men Genesis 2:5 e.v. los van het voorgaande onderzoekt, moet men wel opmerken dat de aanduiding 'scheppingsverhaal' misleidend en verkeerd is, want het woord 'bara'= scheppen' komt in dit hele gedeelte niet een keer voor! Het benadrukken hiervan is geen spitsvondigheid, maar berust op het verstandig omgaan met de grondtekst. Het ligt aan de verblindende invloed van de traditie dat men dermale willekeurig met een bijbeltekst omgaat, dat men het een 'scheppingsverhaal' noemt terwijl het woord 'scheppen' er niet eens in voorkomt!
Wie Genesis 2:5 e.v. een 'tweede scheppingsverhaal' noemt, schrijft de bijbelse tekst vanuit een vooropgezette mening een betekenis toe, die niet met de inhoud overeenstemt:
Eigenlijk is Genesis 1:1-2:4 al niet een 'scheppingsverhaal', maar een opsomming van de 'voortbrengingsfasen (of afstamming) van de hemel en de aarde toen ze geschapen werden', en wel binnen de zes werkperiodes waarin de HERE God aarde en hemelen toebereidde. Genesis 2:5 e.v. bericht tenslotte wat er daarna in Mesopotamie is gebeurd, en wel tijdens de 7de periode, dus na de voltooiing van de 'toledot' van hemelen en aarde. Het woord 'scheppen' (bara') komt in deze tekst in het geheel niet voor.
Hiermee wordt ook de bijbelkritiek ontkracht, die er terecht op wijst dat beide verhalen niet met elkaar in overeenstemming zijn te brengen en daarom abusievelijk twee verschillende 'auteurs' vermoedt.
WAS ADAM DE EERSTE MENS?
Als men Genesis 1:1-2:4 en 2:5 e.v. als 'twee scheppingsverhalen' over een en hetzelfde gebeuren opvat, identificeert men natuurlijk ook de schepping van de mensheid (Genesis 1:27) met de vorming van Adam (Genesis 2:7). Dan zou Adam inderdaad de eerste mens zijn. Bij deze uitlegging komt men echter voor onoverkomelijke tegenstrijdigheden te staan omdat beide teksten een verschillende volgorde vertonen. Maar we hebben al vastgesteld dat beide verhalen niet verschillende gezichtspunten van netzelfde gebeuren beschrijven, maar juist geheel verschillende gebeurtenissen weergeven. Daaruit volgt dat de mensheid van Genesis 1:26,27 in geen geval met de Adam van Genesis 2:7 geidentificeerd mag worden! Adam werd namelijk in de 7de tijdsperiode ongetwijfeld als individu gevormd (jatsar), terwijl God de mensheid al in het verloop van de 6de werkperiode schiep (bara'), en wel als veelheid:
En God schiep 'de mens' in Zijn beeld; in Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk (zakar) en vrouwelijk (neqebah) schiep Hij hen (meervoud).
En God zegende hen en God zelde tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde en onderwerpt haar (aan u) ... Genesis 1:27.28
Door de vaststelling in vers 30: "... en het was alzo", wordt bevestigd dat de mensheid zich inderdaad al tijdens de zesde 'dag' zozeer vermenigvuldigde, dat zij het vasteland vervulde. Dit bewijst tegelijkertijd dat de zesde 'jom' een zeer lange Periode moet zijn geweest.
Tenslotte blijkt ook duidelijk uit de context dat de uitspraak "En God schiep de mens", in vers 27, collectief opgevat dient te worden. De hele mensheid wordt er dus mee bedoeld, want de grondtekst voert in de voorgaande verzen ook de planten, de water-, lucht- en landdieren in het enkelvoud, als soort, aan. De verzen 26-29 benadrukken dan de schepping van de mensen als veelheid, want ze luiden: "... opdat zij heersen", enz..
De tegenwerping dat hier sprake is van de ene man Adam samen met zijn vrouw Eva is verkeerd, want dan zou de grondtekst in vers 27 de woorden voor 'man’ (isj) en 'vrouw' Cisjsjah) moeten gebruiken. Letterlijk staat er echter: "... mannelijk (zakar) en vrouwelijk (n qebah) schiep Hij hen ...". Zo wordt duidelijk gemaakt dat het niet om twee Individuen ging, maar om de twee geslachten van de mensheid: 'mannelijk en vrouwelijk'.
EEN TEGENWERPING
Om aan te tonen dat Adam toch de eerste mens geweest zou zijn wordt het volgende Schriftgedeelte aangehaald:
Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel, de laatste Adam een levendmakende geest.
De eerste mens was uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens uit de hemel (= de niet waarneembare werkelijkheid van een hogere bestaansorde). 1. Corinthe 15:45.47
Hier worden Adam en Jezus Christus tegenover elkaar gesteid: de eerste was aards en werd een levende ziel, de tweede daarentegen kwam uit de hemel en werd door Zijn opstanding uit doden een levendmakende geest. Zonder hier dieper op in te gaan kan men toch met zekerheid vaststellen dat de termen 'eerste mens - tweede mens' en 'Adam - laatste Adam' hier niet biologisch maar geestelijk bedoeld zijn. Biologisch gezien was Jezus Christus immers niet de tweede mens! En als Hij biologisch gezien de 'laatste Adam' was geweest, dan bestond de mensheid niet meer. Daarom is het goed mogelijk dat er al voor Adam mensen geweest zijn, ook al was hij in een bepaald opzicht (we komen hier nog op terug) de 'eerste mens'.
WERD ADAM VAN LEEM GEKNEED?
Genesis 2:7
Als men deze vertalingen leest, lijkt het duidelijk dat God een stuk leem met Zijn handen vormde. Als we proberen een zo letterlijk mogelijke vertaling te geven, krijgen we:
"En daarna vormde (jatsar) de HERE God Adam: stof ("aphar) (was hij), afkomstig van (min) vruchtbare grond ..."
1. Hier is geen sprake van de mensheid, maar van de ene mens Adam. Dit blijkt ondubbelzinnig uit de context.
2. De grondtekst gebruikt voor het 'formeren' van Adam niet 'bara' = scheppen', maar 'jatsar = vormen, formeren'. Onderzoek van alle Schriftgedeelten waar bericht wordt dat God levende wezens formeert (jatsar, 1*), wijst uit dat dat nooit gebeurt door het kneden van leem, maar veeleer bij de verwekking, In de moederschoot. Voorbeelden:
Eer Ik (God) u vormde (jatsar) in de moederschoot, heb ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de Volkeren heb Ik u gesteid. Jeremia 1:5
Maar nu zegt de HERE, die Mij (hier wordt profetisch op Jezus Christus gewezen) van de moederschoot aan vormde (jatsar) tot Zijn knecht, om Jakob (bedoeld wordt het afvallige volk Israel) tot Hem terug te brengen ... Jesaja 49:5
Immer als iets of iemand door God 'gevormd' (jatsar) wordt, gebeurt dat met een speciaal doel of voor een speciale opdracht, zoals uit de volgende teksten blijkt:
Jeremia 1:5 "tot een profeet voor de volkeren ..."
Jesaja 43:7,21 "tot Mljn eer - zal Mijn lof verkondigen ..."
Jesaja 44:2,21 "die Ik verkoren heb ... Mijn knecht ..."
Jesaja 45:11,18 "ter bewoning ..."
Jesaja 49:5 "tot Zijn knecht, om Jakob terug te brengen."
De tekst van Genesis 2:7 benadrukt dus dat Adam door God geformeerd werd voor een bijzondere opdracht. Het gebruiken van het woord 'jatsar' wijst er op dat dit in de moederschoot gebeurde, bij de verwekking. Zo was Adam dus een door God verkorene (vgl. Jesaja 44:2,21).
Als men de traditionele Bijbelexegese van zich atzet, is dit de eenvoudigste uitlegging - in overeenstemming met het algemeen bijbelse gebruik van het werkwoord 'jatsar', dat m.b.t. levende wezens zonder uitzondering nun vorming in de moederschoot aangeeft. Alleen wanneer mensen iets 'vormen', gaat het om het kneden van leem, om pottenbakken (bijv. Jeremia 18:1-6). Het is een duidelijke fout dit handelen van de mens aan God toe te schrijven!
________________________
1*: Alle plaatsen, waar 'jatsar = vormen' betrekking heeft op levende wezens (waarbij altijd God de handelende persoon is): Genesis 2:7,8,19; Psalm 33:15; 94:9; 139:16; Jesaja 27:11; 43:7,21; 44:2,21; 45:9,11; 64:8; Jeremia 1:5; Zacharia 12:1; Amos 7:1.
3. In Genesis 2:7 wordt niet gezegd dat Adam van stof gevormd werd, want het woordje 'van' staat niet in de grondtekst. Er wordt alleen beklemtoond dat Adam uit materie (Hebr. caphar) opgebouwd was:
Want 'stof (aphar) zijt gij en tot 'stof (aphar) zult gij wederkeren. Genesis 3:19
God zegt niet tegen Adam: "Stof waart gij," maar: "Stof zijt gij." Daarmee stelt Hij hem duidelijk voor ogen dat hij uit materie bestaat en vergangelijk is. Het woord aphar' betekent dus in het algemeen het bestaan uit materie van een voorwerp of een levend wezen. Niet alleen voor Adam, maar voor alle mensen gelt dus:
... alles (mensen en dieren, vers 18 en 19) is geworden uit (min) 'stof (aphar), en alles keert weder tot 'stof’ (aphar). Prediker 3:20
Want Hij weet, wat maaksel (jetsär, afgeleid van jatsar) wij zijn, gedachtig, dat wij 'stof’ aphar) zijn. Psalm 103:14
Ook Job wist dit, en hoewel hij een moeder had, kon hij zeggen:
Uw handen hebben mij gewrocht en gevormd, geheel en volledig ... Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gevormd, en wilt Gij mij tot het stof (aphar) doen wederkeren? (Job 10:8,9)
4. Tenslotte betekent de uitdrukking 'afkomstig van vruchtbare grond' niet dat God Adam van akkergrond vormde, maar dat de materie waaruit Adam bestond uiteindelijk van vruchtbare grond afkomstig was. AI het voedsel dat een mens tot zich neemt en waardoor zijn lichaam wordt opgebouwd komt immers al of niet rechtstreeks van vruchtbare grond. In die zin moeten ook de volgende woorden van Elihu opgevat worden: "Zie, ... ook ik ben uit (min) leem afgeknepen" (Job 33:6). Hier wordt niet gedoeld op de massa waaruit Elihu gekneed zou zijn, maar veeleer op de oorsprong van de materie waaruit hij bestond. Zowel in Job 33:6 als in Genesis 2:7 wordt het voorzetsel 'min = afkomstig van, deel van' gebruikt, dat het uitgangspunt van een bepaalde beweging of ook een plaats van herkomst kan aangeven. Samenvattend kunnen we dus zeggen:
We zien dat er in de grondtekst van de Bijbel niets gezegd wordt van een klomp aarde of leem, waaruit Adam gevormd zou zijn. Er wordt wel vastgesteld dat hij enerzijds speciaal door God gevormd (jatsar) werd, anderzijds echter 'stof' was, dus uit materie bestond.
Dit zijn geen eenmalige uitspraken, die alleen voor Adam zouden gelden, want alle mensen zijn uiteindenlijk 'stof' (aphar), dat op zijn beurt weer van vruchtbare grond afkomstig is. Ook leert de Bijbel dat alle mensen door God (in de moederschoot) gevormd (jatsar) worden, en in Genesis 2:7 wordt alleen maar benadrukt dat dit ook voor de mens Adam gold.
Waarom deze dingen dan juist bij Adam zo uitdrukkelijk genoemd worden? Dat hangt, zoals we zo dadelijk zullen zien, nauw samen met Adams bijzondere roeping.
DE LEVENDMAKING VAN ADAM
We hebben al gezien dat God de mensen als geestelijke wezens naar Zijn beeld had geschapen om geestelijke gemeenschap met hen te hebben. Daarom zegende en heiligde God de zevende werkperiode, want in die periode wilde Hij een verbonds-relatie met de mensen aangaan. Dit wordt aangekondigd door de naam 'Jahwäh', die in Genesis 2:4 voor het eerst gebruikt wordt. Deze naam geeft God aan als de Zijnde in relatie tot de gewordene en dus ook vooral als Hij een verbondsrelatie met de schepsels aangaat.
Volgens het principe van de uitverkiezing, dat we door de hele Bijbel heen vinden, had God Adam speciaal 'gevormd', wat overigens altijd gebeurt als het om een bepaalde opdracht gaat. Evenals alle andere uitverkorenen in de Bijbel moest ook Adam een zegen voor de overige mensen, resp. voor de schepping zijn. Nu begrijpen we ook beter waarom zo benadrukt wordt dat Adam 'stof, dus materie, was: hij wordt daarmee beschreven als vertegenwoordiger van de materiele en vergankelijke schepping; tevens wordt zijn begrensdheid vastgesteld. Anderzijds werd hij op een bijzondere wijze door Jahwäh God voor zijn opdracht klaargemaakt, want hij kreeg een verantwoordelijkheid opgelegd, die ook een bijzondere begaafdheid en volmacht vereiste. Vandaar dat we meteen na het verhaal van zijn vorming lezen:
... en later blies Hij (Jahwe God) de 'erkenntnisgeest' (hebr. n schamah) des levens in zijn neus; alzo werd Adam tot een levende ziel. Genesis 2:7b
De grondtekst gebruikt hier niet het veelgebruikte woord 'ru^h' voor '(levens-)geest', maar 'n sjamah', dat veel zeldener vookomt en waarvan de betekenis uit de volgende drie teksten duidelijk wordt:
...de erkenntnisgeest des Almachtigen (is het), die hun inzicht geeft. Job 32:8
De erkenntnisgeest van de mens is een lamp des HEREN. Spreuken 20:27
De Geest (ru ch) Gods heeft mij (de profeet Elihu) gemaakt, en de erkenntisgeest des Almachtigen doet mij leven. Job 33:4
De laatste tekst lijkt verbluffend veel op die van Gensis 2:7! De profeet Elihu was door de Geest (ruach) van God gemaakt, maar de 'erkenntnisgeest', geest van inzicht en besef (nesjamah) van God had hem levend gemaakt. Hier wordt gezegd, dat een mens wel door God gemaakt kan worden en fysiek kan leven, maar pas door de geest van inzicht en besef van God komt hij tot geestlijk leven. In principe bezitten de mensen met hun menselijke geest namelijk van nature de mogelijkheid om met de Geest van God gemeenschap te hebben, maar daar moet wel eerst een handelen van God aan voorafgaan.
Genesis 2:7 beschrijft hoe iets dergelijks bij de ene mens Adam plaatsvond: Jahwe God blies hem de 'levensgeest van inzicht en besef in - een licht des Heren, dat verstandig en levend maakt. Omdat Adam net als alle mensen een eenheid van geest, ziel en lichaam vormde, had de geestelijke gemeenschap met God ook invloed op zijn ziel. Ook de ziel kon zijn doel pas nu geheel vervullen, nu zijn geest tot leven was gekomen en dienovereenkomstig op hem inwerkte.
De ene, door God uitverkoren en speciaal 'gevormde' mens Adam kwam dus tot geestelijke gemeenschap met God, tot geestelijk leven, doordat God hem Zijn geest van inzicht en besef (nesjamah) inblies. Pas daardoor werd hij in staat gesteid zijn opdracht te beseffen en te vervullen.
DE BIJBEL EN DE NATUURWETENSCHAPPEN MET ELKAAR VERGELEKEN
Eerst geven we een overzicht van het Bijbelverhaal zoals we dat in Genesis 1:1-2:5 vinden:
1: 1 In het begin schiep God het heelal met zijn sterrenhemelen en de aarde.
1: 2 Als gevolg van de val van satan werd de aarde woest en leeg en een ondoordringbaar wolkendek hulde de aarde in diepe duisternis. Het gehele aardoppervlak was met water bedekt; de Geest van God was er beschermend boven werkzaam.
1: 3-5 Uiteindelijk wist het licht van de zon, alhoewel nog zeer zwak, het aardoppervlak te bereiken; het werd licht en de tegensteling 'dag' en 'nacht' op het aardoppervlak ontstond.
1: 6-8 In het verloop van de volgende tijdsperiode ontstond er door het werk van God een dunne luchtlaag, die de wolken van de wateren van de wereldzee scheidde. God noemde dit uitspansel '(lucht-)hemel'.
1: 9-13 Later kwamen de continenten omhoog en stroomde het water van de eldzeeen bijeen in de zo ontstane bekkens. Daarna raakte het vastelandgroeid met kruid- en boomachtige planten, die waarschijnlijk uit zee hoogkwamen' en die zich door zaadvorming voortplantten.
1:14-19 Nu klaarde de atmosfeer op, zodat er op beide halfronden niet langer alleen maar licht en duisternis heersten, maar de zon, de maan en de sterren als lichten zichtbaar werden vanaf het aardoppervlak.
1:20-23 Daarna schiep God bezielde levende wezens, eerst de zeedieren, waar de wateren van wemelden, en tevens de vl legende levende wezens die zich op het vasteland voortplantten.
1:24-25 Daarna werd het vasteland bevolkt door viervoetige landdieren, die van de zeedieren afstamden en dus ook 'levende zielen' waren.
1:26-31 Tenslotte vond de schepping van de mensheid plaats; deze volgde op de toebereiding ervan uit al bestaande levende wezens. De mensheid werd in het beeld van God geschapen, en wel als veelheid: mannelijk en vrouwelijk. Als gevolg van de vruchtbaarheid vulde zij 'de aarde’ d.w.z. de bewoonbare gebieden, nog binnen de zesde werkperiode en begon haar aan zich te onderwerpen.
2: 1-3 Tijdens de zevende tijdsperiode voltooide God Zijn werk. Daarom zegende en heiligde Hij de zevende tijdsperiode, want in die periode wilde Hij een verbondsverhouding met de mens aangaan.
2: 4 Het hole gebeuren wordt beschreven als 'toledot = de volgorde van ontstaan', als afstamming dus, die berust op de schepping en de toebereiding door God.
2: 5-6 De plaats waar de geschiedenis vorder gaat, is het land Mesopotamie, waar destijds geen plantengroei voorkwam omdat het niet regende en het land ook niet door mensen gei'rrigeerd en bebouwd werd. Maar tenslotte bevloeide een onderaardse stroom een bepaald gebied.
2: 7 Daarop werd de ene mens Adam op speciale wijze door God 'gevormd (en wel in de moederschoot, zoals de term 'jatsar' altijd aangeeft), omdat God hem uitverkoos om door de gemeenschap met Hem een bepaalde opdracht te vervullen. Daaarom blies God Adam later de levensgeest van inzicht en besef in en werd Adam een levende ziel.
2: 8-15 Adams eerste opdracht was het bewerken en bewaken van de hof in Eden.
Dan volgen nu slechts de belangrijkste uitspraken van de natuurwetenschappen, die met het verhaal van Genesis te vergelljken zijn:
1: 1 De overgrote meerderheid van de natuurwetenschappers neemt aan dat het heelal een begin gehad heeft; het is noch 'eeuwig', noch oneindig.
1: 2 De toestand van de maan, van Venus enz. toont aan dat ook de aarde lang geleden votledig verwoest moet zijn geweest.
1: 2-9 Het wordt algemeen erkend dat de aarde ooit geheel met water bedekt is geweest. Uit geologische vondsten blijkt dat de aarde gedurende grote delen van het Precambrium door een wereldzee bedekt was.
1: 1-27 Ook de natuurwetenschappen kennen de volgende vier 'wereldfasen' en stemmen wat de volgorde ervan betreff volkomen overeen met de Bijbel:
1. Materie - 'de hemelen en de aarde'
2. Plantaardig leven
3. Dierlijk, bezield leven
4. Qeestelijk leven - de mensheld
1:20-22 In overeenstemming met de Bijbel leren zij dat de eerste bezielde levende wezens waterdieren waren. De Bijbel noemt deze levende zielen 'sjäras = krabbelende, wemelende' en doelt daarbij blijkbaar op de talloze kleine en vaak veelvoetige dieren, zoals bijv. de trilobieten, die als eersten de zeeen massaal bevolkten.
Het is met name opmerkelijk dat de eerste landdieren vliegende insekten waren, zoals de bekende reuzenlibellen uit het Carboon. Ook volgens de Bijbel leefden de eerste landdieren niet op de grond, maar in de lucht.
1:24-25 Pas daarna bevolkten amfibieen, reptielen en tenslotte zoogdieren het vasteland, precies zoals ook de Bijbel bericht. Als laatste verscheen de mensheid.
2:4 Volgens de natuurwetenschappen is de ontwikkeling van het leven op aarde het resultaat van een biologische afstammingsreeks, waarbij de soorten door afscheiding van elkaar ontstonden. De Bijbel noemt deze hele gang van zaken 'de volgorde van ontstaan' (toledot). Het bijbelse begrip 'min = herkomst, afsplitsing' laat er geen twijfel over bestaan dat de soorten van elkaar afstammen, hoewel ze na hun divergerende ontwikkeling niet meer met elkaar te verenigen zijn.
De overeenstemming tot in de details is hoogst verbazingwekkend! Gezien de beperkte kennis van die tijd kan dit niet anders verklaard worden dan door het feit dat de Schriften van God ingegeven zijn. Zoals ons onderzoek heeft uitgewezen, hoeft de grondtekst van de Bijbel helemaal geen geweld aangedaan te worden om deze overeenstemming te bereiken. Het is voldoende de woorden in hun oorspronkelijke betekenis te lezen, er andere Schriftplaatsen ter verklaring bij te halen en goed te leiten op de context. Het zij uitdrukkelijk gezegd dat deze overeenstemming vooral op de door de natuurwetenschappen onderzochte feiten betrekking heeft, echter niet altijd op allerlei theorieen! Natuurwetenschappelijk kan bewezen worden dat er een ontwikkeling heeft plaatsgehad, maar wat de drijfkracht en de wijze waarop deze 'evolutie' verwezenlijkt is, betreff, wijken de hypotheses en de pogingen van veel wetenschappers om alles te verklaren zeker af van de Bijbel. Zij leert weliswaar ook duidelijk een afstamming en een ontwikkeling, aan het eind waarvan de mensheid staat, maar zij legt er tegelijkertijd de nadruk op dat dit hele geheuren door God bewerkt werd, namelijk door schepping (bara') en toebereiding ^asah). Men zou kunnen zeggen dat de Bijbel een evolutie door God leert, terwijl sommige wetenschappers daarentegen een 'auto-evolutie' leren, een 'zeifverwerkelijking van de materie' dus. De in de Bijbel geopenbaarde waarheid heeft niet alleen een theoretische, maar ook een praktische betekenis voor ons leven: zoeken we een ontwikkeling vooruit of omhoog op eigen kracht of op basis van de andere schepselen, dan schielen we ons doel voorbij. Maar als we er voor kiezen God in ons leven te laten werken, dan zal Hii Ziin werk in ons voltooien.
DE BIJBEL - HET WOORD VAN GOD OF VAN DE MENS?
Voor veel mensen bestaat er een groot "Maar" ten opzichte van de Bijbel: hun bezwaar is dat je er toch niet op kunt vertrouwen, want zij is per slot van rekening door mensen geschreven en staat daarom vast vol met fouten. Er staat misschien een hoop wijsheid en waarheid in, maar je hele leven er op afstemmen, dat is toch te gek? En bovendien, is de Bijbel dan echt zo belangrijk voor het leven van de mens?
Wel, de reden dat we Gods Woord nodig hebben, is dat het ons Gods wezen en Zijn handelen met de schepping - vooral met de mensen - openbaart. Het beschrijft ons de plannen van God en daarmee ook het doel van het menselijk leven. Maar dat niet alleen, het toont ons ook welke hulp God ieder mens afzonderlijk aanbiedt om het hem mogelijk te maken Gods opdrachten te vervullen. Als we geen acht slaan op Gods Woord, gaan we onze eigen weg en missen we het door God gegeven doel omdat we Hem verkeerd begrijpen. Maar als we beseffen wat Gods wezen en wat Zijn plannen met ons zijn, dan wordt ons leven radikaal anders:
Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Jeremia 29:11-13
Wat de betrouwbaarheid van Gods Woord betreft, uit het onderzoek van het begin van de Bijbel is gebleken dat haar woorden verbazend precies overeenkomen met de in het licht van het huidige wetenschapppelijke onderzoek bekende feiten. Veel Problemen, schijnbare tegenstrijdigheden en fabelachtig klinkende uitspraken worden na een grondig, onbevooroordeeld onderzoek duidelijk zonder dat er kunstgrepen aan te pas hoeven te komen. Het is duidelijk geworden dat veel fouten die aan de Bijbel worden toegeschreven, hun oorsprong niet in het Woord van God vinden, maar in exegeses en menselijke tradities. Het is dus onze verantwoording om niet tevreden te zijn met menselijke meningen over Gods Woord, maar om het zelf te toetsen en een beslissing te nemen.
Een van onze moeilljkheden zit hem misschien in de wijdverbreide gedachte dat iets of door God bewerkt wordt - en dus goddelijk is - of een produkt van het "toeval" is, van de mens, en dus gebreken vertoont. Maar het onderzoek van het eerste hoofdstuk van de Bijbel heeft juist laten zien dat God voortdurend op de schepping inwerkt en dat dit handelen niet alleen door middel van "wonderen" plaats-vindt, maar doordat Hij spreekt en Zijn woord zich in de loop van de tijd vervult! Daarom is de vraag: "Is de mens door God geschapen of stamt hij van de dieren af?" al verkeerd. De Bijbel leert dat de mens zeer zeker van de dieren afstamt, dat hij biologisch gezien eigenlijk zelfs een dier is, maar dat hij tegelijkertijd door God in Zijn beeld werd geschapen en daarin een heel bijzondere waarde heeft! Hetzelfde geldt voor de vraag of de Bijbel nu het Woord van God of van mensen is: de Bijbel zegt zelf heel duidelijk dat zij door mensen geschreven en overgeleverd is, maar tegelijkertijd is zij Gods Woord omdat God in de mensen, die Hij opdroeg Zijn Woord te verkondigen, gewerkt heeft. Een samenvattehd antwoord op de in het begin gesteide vraag naar het waarheidsgehalte en het belang van de Bijbel krijgen we dus in:
En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wel, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmächtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken. 2.Petrus 1:19-21
ADAM EN CHRISTUS
Binnen het kader van dit werk moet nog menige vraag beantwoord worden, die in het "Genesis-Bericht" niet behandeld is, onder andere: wanneer en waar leefde Adam? Waarom moest hij de hof van Eden bewaken? Hoe staat het met de slang, die Eva verleidde? Als door Adam de zonde in de wereld is gekomen (Romeinen 5:12), was hij dan niet toch de eerste mens?
Het onderzoek draait echter helemaal om Adam en Christus, de eerste mens en de tweede Mens (I.Korinthe 15:47), waarbij Genesis 2 en 3, evenals Romeinen 5 de basis vormen. Omdat Adam naar Christus heenwijst (Romeinen 5:14), zijn ook de overeenkomsten tussen beide opvallend.
VAN ADAM TOT HENOCH - DE ZONDVLOED
Grondig onderzoek van de Hebreeuwse grondtekst toont dat de Bijbel geen sprookjes-verhalen bevat, maar historische gebeurtenissen beschrijft, die zelfs door de archeologie bevestigd worden. Onderwerpen zijn: De historische achtergrond bij Genesis 2 -Namen als geschiedensisoorkonden - De tijd voor de zondvloed volgens de archeologie - De aanloop naar en de doorbraak van het polytheisme - Het verbond van Noach - De omvang van de zondvloed volgens de Bijbel en volgens de archeologie.
HET HEILSPLAN VAN GOD
Het doel van dit onderzoek is een kort overzicht van de inhoud van de Bijbel te geven, waarbij de aandacht vooral gericht zal worden op de verwezenlijking van Gods heilsplan. Deze lijn loopt van de schepping van het heelal via de tohu-wabohu-tijd, de uitverkiezing van het volk Israel, de tijd van de Evangelien en de Handelingen, het herstel van Israel, de toekomstige wereldtijd en de nieuwe schepping naar "God alles in allen" (I.Korinthe 15:28). Het Nieuwe Testament spreekt het Oude Testament niet tegen, maar vormt juist een consequente voortzeting en voltooiing ervan. Pas door de bijbelse leerstellingen in een kader te zetten kan men de grote lijnen van Gods heilsplan gaan zien. De uiteenzettingen zijn bedoeld als basis en huipmiddel bij de konfrontatie met de bijbelkritiek; tevens dienen ze ter bevordering van het begrijpen van Gods Woord en van Zijn voornemen voor de hele schepping.
DE LEER VAN DE APOSTEL PAULUS
Het feit dat de apostel der heidenen (Galaten 2:7-9; I.Timotheus 2:7; Efeze 3:1-2) aan het eind van zijn loopbaan door vrijwel iedereen, gelovigen incluis, verlaten werd (2. Timotheus 1:15), had verstrekkende gevolgen voor de hele kerkgeschiedenis. Veel verwarring en ruzie waren het resultaat van pogingen van menige gelovige om de plaats van Israel in te nemen, in plaats van de apostel der heidenen te volgen op de hem door God geopenbaarde weg. Deze Studie probeert zijn leer duide-lijk te maken: de groeifasen van de gelovige vanaf het pasverwekte, onmondige kind van God (I.Korinthe 3:1; Hebreeen 5:13,14) tot de volwassen man, wat de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God impliceert (Efeze 4:11-16). Het doel van deze verhandeling is de volheid van Gods genade te verduidelijken en de lezer tot een zijn roeping waardige wandet aan te Sporen.
Het "Genesis-bericht" is ook in het Engels verkrijgbaar. De op deze bladzijde beschreven studies zijn alleen in het Duits aanwezig.
Armin Held, Oberreit 1, D-83620 Feldkirchen-Westerham
Tel. 0049-8063-972 301
www.urzeitundendzeit.de